Misschien
heb je ze op een zomeravond al wel eens gezien, die
“wormpjes” met koude, fluorescerend groene lampjes in hun
achterlijf. Hoewel je het op het eerste zicht niet zou
zeggen, zijn glimwormen in feite kevertjes. Dat is duidelijk
te zien aan de mannetjes, die in tegenstelling tot de
larfachtige vrouwtjes wel vleugels en dekschilden dragen. De
glimwormen horen samen met de vuurvliegen thuis in één
familie, de Lampyridae, en omvatten in totaal meer dan 2000
soorten verspreid over alle werelddelen, behalve Antarctica.
Nog steeds worden er nieuwe soorten ontdekt.
Hetgeen
waardoor glimwormen het best gekend zijn en wat hen
aantrekkelijk maakt voor eender welke vinder, is hun
mogelijkheid om licht te produceren. Dat licht maken ze aan
in gespecialiseerde cellen van hun lichtorgaan. Hierin vindt
een biochemische reactie plaats tussen het enzyme luciferase,
het substraat luciferine, zuurstof en een energieleverancier
ATP. Tijdens die reactie wordt energie afgegeven in de vorm
van fotonen, licht dus. Slechts een klein deel komt vrij als
warmte (vandaar de uitdrukking “koud licht”).
Je zou
jezelf kunnen afvragen waarom ze zichzelf kenbaar en zelfs
kwetsbaar maken door zo fel te gloeien. Het antwoord ligt
nochtans voor de hand. De glimwormvrouwtjes proberen net
zoals de dames van de rosse buurt d.m.v. vrolijk gekleurde
lampjes mannetjes naar hun tent te lokken. Met de betaling
ligt het toch iets anders. Vrouwtjes die goed kunnen
“adverteren” verdienen een kroostrijk nageslacht en
hetzelfde geldt voor mannetjes die het licht juist kunnen
interpreteren als afkomstig van een vrouwtje van hun eigen
soort. In dit geval is de munteenheid dus nageslacht.
Ook de
larfjes (en zelfs eieren en poppen) kunnen er lustig op los
gloeien. Gewoonlijk doen ze dat in de vorm van lichtpulsen
wanneer ze ‘s nachts rondkruipen op jacht naar slakken en
dergelijke. Daarnaast gloeien ze dikwijls voor langere tijd
op wanneer ze verstoord worden, bijvoorbeeld bij aanraking.
Misschien gebruiken ze het lichtgeven wel als
afschrikkingsmiddel tegen vijanden. Deze en andere
hypothesen over de functie van het lichtgeven van de larven
worden op het moment nog voort onderzocht.
We hebben
drie soorten in België.
Grote- of Gewone
glimworm /
Lampyris noctiluca
L. : vrouwtje (20mm) ongevleugeld, bruin, lichtorganen enkel in 3
laatste achterlijfsegmenten; mannetje (15mm) gevleugeld,
bruin, met 2 kleine lichtvlekjes naast elkaar onderaan
voorlaatste segment en niet lichtgevend tijdens de vlucht,
larve zwart met geeloranje stippen op segmenthoeken, gloeit
met lichtpulsen of bij verstoring.
Kleine glimworm /
Lamprohiza splendidula
L.:
vrouwtje (10-15mm) heeft vleugelstompjes, is lichtgekleurd
en draagt meer dan 4 lichtorganen verspreid over in hele
achterlijf; mannetje (10mm) bruin, met 2 opvallende
lichtplaten in laatste buiksegmenten, gloeit helder tijdens
het vliegen; larve bruin, afgeplat en breed met meerdere
door de rug schijnende lichtplekken (gloeit meestal bij
harde geluiden en trillingen).
Kortschildglimworm
/ Phosphaenus hemipterus
Fourcroy:
vrouwtje (10mm), bruin, vooral tijdens schemering te vinden,
maar dan waarschijnlijk niet gloeiend, zeldzaam (?!);
zwarte, kortvleugelige en langsprietige mannetjes (£10mm)
kruipen overdag op kale plekken, tussen stenen; beide
geslachten 2 lichtvlekken in voorlaatste segment; larve
langgerekter, bruin bovenaan, rozig aan buikzijde, 2
lichtvlekkjes in voorlaatste segment (gloeit met pulsen of
bij verstoring).

Grote Glimworm
Kleine Glimworm Kortschildglimworm
Lampyris noctiluca
Lamprohiza splendidula
Phosphaenus hemipterus
Figuur 1. Drie Belgische
glimwormsoorten: mannetjes, vrouwtjes
en hun lichtorganen.
(ingekleurde zones).
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
 |
Figuur 2. Glimwormlarven:
1. Lampyris noctiluca
2. Lamprohiza splendidula
3. Phosphaenus hemipterus |
De meest bekende, meest algemene en
die met de grootste verspreiding (tot Noord-China!) is de
Grote of Gewone glimworm of Lampyris noctiluca
(zie figuur 1 en 2). Ze komt voor in de meest
verscheiden biotopen zolang het er maar vochtig is;
voorbeelden daarvan zijn wegbermen, tuinen, parken,
graslanden, oevers, bosranden etc. Het vrouwtje meet tot 20
mm, is vleugelloos, heeft mat donkerbruin gekleurde
segmenten met daartussen rozige verbindingsmembranen en een
lichtorgaan met een brede lichtband in het 6e en 7e
achterlijfssegment en daaronder twee naast mekaar gelegen
lichtvlekjes in het voorlaatste segment. Het mannetje is
gewoonlijk wat kleiner, tot 15 mm, heeft wel dekschilden en
vleugels, zeer grote ogen en een klein lichtorgaan in het
voorlaatste segment bestaande uit twee naast elkaar gelegen
lichtpuntjes die hij enkel aansteekt wanneer hij gestoord
wordt. De ietwat afgeplatte, rupsachtige larve heeft
eenzelfde type van lichtorgaan als de mannetjes, is mat
zwart gekleurd met op iedere segmenthoek een
geeloranjeachtige vlek (zie figuur 2). Ze leven tussen de
vegetatie en dode bladeren.
Minder
algemeen in België en beperkter in verspreiding is de
Kleine glimworm of Lamprohiza splendidula
(fig. 1 en 2). Ze zijn te vinden van Midden-Europa tot aan
de Kaukasus en is als ingevoerde soort in Noord-Amerika
terug te vinden. Deze soort stelt hogere eisen qua biotoop
dan de vorige en is te vinden in een meer gesloten habitat
zoals langs bosbeken, in bosweiden of open plekken in
bossen. Het vrouwtje is tot 10mm groot, heeft sterk verkorte
dekschilden en vleugels, 2 doorzichtige vlekken in het
halsschild, is ivoorkleurig tot geelbruin en heeft
lichtorganen in de vorm van twee lichtvlekken in het 6e
achterlijfssegment en een meer rechthoekige vlek op het
volgende segment, verder zijn er nog verspreide lichtvlekken
aan de zijkanten van de andere achterlijfssegmenten, met de
helderste vooraan en achteraan. Het mannetje meet 8 tot 10
mm en is van de vorige soort te onderscheiden door zijn
geringere afmetingen, de grote doorschijnende vlekken in het
halsschild en het veel grotere lichtorgaan bestaande uit 2
rechthoekige vlekken in het 6e en 7e achterlijfssegment, dat
aangestoken wordt tijdens het vliegen. (Let op, flitst zijn
licht volgens een vast ritme (vb. om de 2 seconden) aan en
uit dan heb je waarschijnlijk met een ingevoerde soort te
maken! Het is al eens gebeurt dat uitheemse larven per
ongeluk binnengesmokkeld werden samen met mediterrane
tuinplanten).
De larve
lijkt eerder op een bruine afgeplatte pissebed dan op een
rups, heeft aan de zijkanten meerdere (3 tot 6) door de rug
schijnende lichtplekken met de helderste voor- en achteraan
en ze gloeit meestal bij harde geluiden en trillingen.
Ze is meestal te vinden tussen bladstrooisel en humus.
De
slechts gekende soort is de Kortschildglimworm of
Phosphaenus hemipterus (fig. 1 en 2), wat niet erg
verwonderlijk is, ten eerste omdat de mannetjes vooral
overdag blijken rond te kruipen en in de tweede plaats omdat
de vrouwtjes schijnbaar alleen ‘s avonds te voorschijn komen
en dan niet gloeien zoals de andere soorten (of misschien is
het nog niemand opgevallen omdat hun lichtorganen zo klein
zijn en dus slechter zichtbaar vanop afstand?). Hoe het
voortplantingsgedrag, de biotoopvoorkeur, verspreiding en
levenscyclus van deze soort nu juist in elkaar zitten, is
nog niet helemaal duidelijk. Phosphaenus hemipterus
komt voor van het Iberisch schiereiland en Zuid-Engeland
tot in West-Rusland en Zuid-Finland. De kever is ook
gevonden in Newfoundland (Canada), maar waarschijnlijk gaat
het ook hier weer om een toevallige importatie. In Engeland
is deze glimwormsoort opgenomen als “Red Data Book species”,
m.a.w. daar wordt hij al als sterk bedreigde soort
beschouwd. De kortschildglimworm is te vinden in tuinen,
parken en bossen. De mannetjes kan je dikwijls in grote
aantallen vooral overdag zien rondrennen over
verharde paadjes, voetpaden, muren, tussen plantsoenen, aan
de rand van struikgewas en dan vooral bij warm, vochtig weer
zoals na een zomerse onweersbui. Waarschijnlijk zoeken ze
vrouwtjes op die verborgen zitten in bodembarsten en voegen.
Met veel geduld en wat geluk kan je rond de avondschemering
of op een bewolkte dag ook vrouwtjes vinden door een plaats
waar veel mannetjes rondkruipen rustig af te zoeken. Overdag
vind je vrouwtjes onder stenen, hout en bladafval. Het
vrouwtje lijkt op het eerste zicht qua kleur en vorm sterk
op een grote glimworm, maar is veel kleiner (tot 10mm) en
slanker, heeft een veel sterker afgerond halsschild,
dikkere, afgeknotte en lichtjes naar binnen gebogen
voelsprieten en een veel kleiner lichtorgaan, gevormd door
twee naast elkaar liggende bolletjes in haar voorlaatste
achterlijfsring, wat ze dikwijls aansteekt bij verstoring
net zoals de mannetjes. Zoals de soortnaam het al
suggereert, lijken de mannetjes inderdaad sterk op
kortschildkevers (Staphilinidae). Dat kan aanvankelijk
misschien zorgen voor problemen met de determinatie. Het
mannetje is donkerbruin tot zwart van kleur met twee
lichtere vlekken in het voorlaatste segment waarin de
lichtorganen zitten, tussen de poten is hij roze, heeft
verkorte dekschilden en vleugels en sterk opvallende
voelsprieten. Hier volgen enkele manieren om er zeker van te
zijn dat het om een kortschildglimworm gaat en niet
een kortschildkever:
1. mannetjes van Phosphaenus hemipterus hebben in
verhouding veel langere en dikkere voelsprieten dan
kortschildkevers.
2.
De kortschildglimworm kruipt rustig, maar niet traag
en wuift daarbij van links naar rechts met zijn voelsprieten
en houdt geregeld pauzes waarbij hij de omgeving afscant met
zijn antennen.
3.
bij aanraking trekken alle glimwormen (adulten en
larven) hun kop terug onder het halsschild (kortschildkevers
kunnen dat niet!), laten mannetjes zich vallen en trekken
hun poten en antennen samen en geven daarbij meestal licht (kortschildkevers
vluchten gewoonlijk of krullen hun achterlijf opwaarts en
geven geen licht).
De larve
lijkt qua vorm op die van de grote glimworm, maar is iets
langgerekter en bovenaan glanzend bruin gekleurd zonder
lichte vlekken op de segmenthoeken en rozig aan de
buikzijde, in de voorlaatste achterlijfsring zitten twee
bolvormige lichtvlekken. Ze zijn ‘s nachts te vinden tussen
bladstrooisel, mos en de begroeiing en overdag onder stenen,
hout en in de bodem. Ze lusten graag regenwormen.
Glimwormlarven en vrouwtjes lijken dikwijls op elkaar.
Larven kan je gemakkelijk herkennen aan hun typische
rupsachtige manier van kruipen waarbij ze gebruik maken van
een soort zuignap aan hun lichaamsuiteinde. De vrouwtjes
kruipen enkel met behulp van hun poten, hebben steeds
langere voelsprieten dan de larven, meestal een groter
lichtorgaan en ieder van hun poten is opgebouwd uit meer dan
drie segmenten in tegenstelling tot de larven.
Waar en
wanneer kan ik ze zien?
WANNEER:
Adulten van alle drie de soorten zijn te vinden vanaf juni.
De kleine glimworm en de kortschildglimworm houden het vol
tot ongeveer midden juli, hoewel er van de laatste
waarnemingen bestaan in augustus en september. De grote
glimworm is het talrijkst in juli, maar is in principe te
vinden tot het einde van de zomer. Larven kan je het hele
jaar door zien, behalve in de wintermaanden want dan houden
ze een winterslaap.
De kleine
en grote glimworm beginnen hun fonkelende activiteit vanaf
de schemering (ca. 21h30) en stoppen dat ongeveer drie uur
na zonsondergang (ca. 1h00). De larven blijven langer
actief. De mannetjes van de kortschildglimworm zijn vooral
overdag actief.
WAAR: In
België kan je de grote glimworm praktisch overal aantreffen
en vooral in de leemstreek en het Maasbekken. De kleine
glimworm lijkt meer bescheiden te zijn en is vooral
waargenomen in de bossen rond Brussel en langs Samber en
Maas (Condroz, Famenne, de Ardennen en Limburg). De
kortschildglimworm leeft in de bossen en parken rondom het
Brusselse, in de provincie Luik en in Oost-Limburg. Eenmaal
is hij aangetroffen in de Kempen (omgeving Lichtaart) en het
zou ons niet verbazen dat hij veel algemener is in
Noord-België dan tot nu toe aangenomen, vermits hij ook
voorkomt in Zeeland, Noord-Brabant en Nederlands Limburg.
Dus, uitkijken maar!
Toestand van de populaties.
Je zou
denken dat de toekomst van de grote glimworm er vrij zeker
uit ziet met zo een grote verspreiding, maar niets lijkt
minder waar. Anekdotische gegevens suggereren dat de Britse
glimwormpopulaties vanaf 1950 sterk in grootte en aantal
afnemen. Op het moment is er in Engeland een grondig
onderzoek aan de gang naar de ecologie en het behoud van de
Britse glimworm en daarbij schrikken ze er niet voor terug
om hulp te vragen aan het publiek via radio, televisie en
formulieren zoals hetgeen je nu vast hebt. Ook uit
Nederland, Denemarken, Zwitserland en andere delen van
Europa komen berichten van een sterke terugval. Voor de twee
andere soorten is nog nooit een dergelijk onderzoek gedaan,
maar we mogen er zeker van zijn dat we ook hier een
achteruitgang mogen verwachten want ze zijn minder algemeen
en verkiezen meer specifieke biotopen. In Groot Brittanië is
Phosphaenus hemipterus trouwens al beschermd door
zijn zeldzaamheid.
Ook in Belgie loopt een inventarisatie-project rond
glimwormen.
De
waarnemingsgegevens kunnen ingestuurd worden via een
formulier
zodat de resultaten ons
een beter beeld opleveren van het voorkomen van de
soorten in België. in hoeverre er een achteruitgang
is, hoe snel die gebeurt, wat hiervan de oorzaak
is en of we ons ongerust moeten maken over het uitsterven
van de Belgische glimwormen. Het is dus ook van belang te
melden als er in een bepaald gebied geen glimwormen gezien
zijn ! Tal van mogelijke oorzaken kunnen aan de basis
liggen van een achteruitgang, maar nog geen enkel onderzoek
is uitgevoerd om de verschillende ideeën te testen.
Mogelijke boosdoeners zijn habitatvernietiging,
habitatversnippering, vervuiling, pesticiden,
en misschien zelfs lichthinder. Vooral in België
wordt ‘s nachts enorm veel energie verkwist aan
straatverlichting, zogenaamd voor de veiligheid, maar toch
hebben we het hoogst aantal verkeersslachtoffers van Europa.
Lichthinder wordt steeds meer als een reëel milieuprobleem
erkend; het doet niet alleen de sterren vervagen -tot grote
ergernis van de sterrenkundigen-, maar heeft mogelijk ook
een enorme invloed op planten en dieren, hoewel nog geen
enkele studie heeft kunnen aantonen wat de effecten zijn.
Misschien wordt dit de eerste!
met dank aan Raphaël De Cock