Kevers   Coleoptera                                     Guido Bonamie

Over 350.000 soorten een kort verhaal vertellen is geen gemakkelijke opdracht. Kevers zijn zo verscheiden, zo verschillend, steeds weer kom je een nieuw perspectief tegen om verwonderd over te zijn. We proberen hier in het kort de kern samen te vatten van wat een kever is.

Lichaamsbouw:

De lichaamsbouw is ondanks het veelvoud van uiteenlopende levenswijzen en het onvoorstelbaar aantal soorten op zekere wijze uniform te noemen. Denk eens aan de Lieve-Heer beestjes, de Coloradokever en de meikever, de meest gekende soorten, dan heeft men een bepaald type voor ogen. Zoals alle insecten hebben de kevers een exoskelet, een stevig omhulsel van chitine dat bij de meeste soorten vrij hard is. Enkele uitzonderingen hebben een zacht chitine pantser zoals de oliekevers en de weekschildkevers. Kevers kan men direct herkennen aan de dekschilden die het lichaam geheel of gedeeltelijk (kortschildkevers) bedekken, deze beschermen het weke achterlijf en de vliesvleugels die ze gebruiken om te vliegen, uitzonderingen zijn er ook natuurlijk, denk maar aan de larvevormige vrouwtjes bij de glimwormen die geen zichtbare dekschilden hebben.

Bij de kevers kan men meestal heel duidelijk de kop, borststuk en achterlijf herkennen. Ook daar zijn enkele merkwaardigheden: de kaken kunnen zoals bij het vliegend hert enorm uitgroeien en sommige kevertjes hebben vier ogen (Gyrinindae =  schrijverkes) die zowel boven als onder water kijken ( er bestaat ook een hertkever uit Z. Amerika met 4 ogen). Meestal zijn de kaken aangepast aan het voedsel dat de kevers tot zich nemen, ze zijn vergezeld van kaak en liptasters die voor de voedselkeuze van beslissend belang zijn.

Het borststuk bestaat uit drie segmenten, voor-, midden- en achterborststuk, het achterlijf bestaat uit meerdere segmenten, meestal 8 à 9.

Ontwikkeling:

 Bij de insecten hebben zich twee ontwikkelingstypes gevormd. De eerste, bij de onvolledige gedaanteverwisseling, komt uit het ei een larve die al een sterke gelijkenis vertoont met het volassen dier. Bij de kevers is er echter een volledige gedaanteverwisseling, een metamorfose. Hierbij komt uit het ei een larve die absoluut niet op het volwassen insect lijkt. In een tussenstadium wordt de larve een pop en daaruit ontstaat uiteindelijk het volwassen insect, ook imago genaamd. Er zijn ook enkele gevallen bekend van hypermetamorphose waar bij de larven een tussenstadium bestaat (bvb. Meloidae).

 Oecologie:

 Kevers vindt men in alle mogelijke niches, op het land, in het water , in de lucht. Hele groepen vindt men in het water zoals de Dytiscidae en Hydrophilidae. Andere vindt men bvb. uitsluitend bij mieren, andere zijn dan weer door de evolutie aan menselijke activiteiten gekoppeld.

Fysiologie:

 Het is de kevers niet alleen gelukt om alle denkbare biotopen te bevolken, ook alle denkbare organisch voedsel wordt door hen gebruikt, zelf enkele anorganische stoffen zoals lood worden als voedsel gebruikt. Enkele soorten zijn zeer gespecialiseerd zoals de coloradokever die praktisch enkel aardappelen lust maar ook nachtschade op zijn menu staan heeft. Polyfagen eten zowat alles wat groen is, daartussen vinden we alle mogelijke nuances. Anderen zijn dan weer gebonden aan bepaalde planten zoals het leliehaantje of het aspergekevertje terwijl andere soorten minder kieskeurig zijn.

Een deel zijn rovers zoals de loopkevers en kortschildkevers en de geelgerande watertorren.

Een grote groep zijn de “opruimers”. De mestkevers zorgen ervoor dat de mest verwerkt wordt, de aaskevers ontfermen zich over de dode dieren en de ander stoffelijke resten.

Water is voor alle levende organismen noodzakelijk, maar sommige kevers die in de woestijnen leven zoals vele zwartlijfkevers kunnen uit het geringste voedsel nog hun voorraad vocht opdoen. Andere groepen zijn dan weer gebonden  aan zeer vochtige milieus en er zijn er die leven in en onder het water.

 Voortplanting:

De meeste keversoorten leven vrij lang als larve terwijl hun leven als volkomen imago dikwijls zeer kort is. In die korte tijd moeten ze een partner vinden en voor hun nageslacht zorgen. Mannetjes vinden de vrouwtjes meestal zoals bij vele insecten door geuren, het zicht speelt bijna of geen rol in het vinden van een partner. Sommige soorten zoeken bepaalde planten op en hebben zo een zekerheid om daar dan een partner aan te treffen. Komt er een concurrent aan dan kunnen sommige soorten hun territorium met verve verdedigen. Wie microcosmos zag herinnert zich beslist het gevecht met de vliegende herten maar ook doodgravers en boktorren komen hevige gevechten voor.

Wanneer twee partners elkaar dan uiteindelijk gevonden hebben kan de paring plaatshebben, deze kan kort zijn maar ook uren duren. Meestal worden de eieren dan vlug afgezet maar ze kunnen ook een tijd bewaard worden in het lichaam van het vrouwtje, de mannelijke zaadcellen worden dan tijdelijk bewaard in het “receptaculatum seminis” of “spermatheca”. De eieren worden meestal doelbewust afgezet en aldus zorgt het vrouwtje al voor de uitkomende larven.

Broedzorg:

De eenvoudigste vorm van broedzorg is de eitjes afzetten op de waardplant van de larven. Vele soorten echter zijn daar niet tevreden mee en nemen extra voorzorgen. De vrouwtjes hebben dan meestal een lange legboor waar ze de eitjes zo onbereikbaar mogelijk voor vijanden kunnen wegbergen. Bladrollers maken van een blad een rolletje waar ze het ei in deponeren, de snuitkevers van het genus Curculio boren een gat in een jonge hazelnoot of en eikel en leggen daarin hun ei. Iedereen zag wel eens een pillendraaier zij mestbal wegrollen naar wie weet waar om die daar te begraven als voedsel voor zijn larve.

Zo zijn er tal van specialisaties waarover je in de vaklitteratuur kan lezen.

Verdediging:

Een typisch gedrag bij insecten is dat insecten die geen broedzorg hebben een groot aantal eieren aflegt, zij daarentegen die broedzorg besteden kunnen het met een heel aantal minder eieren stellen. Een keverleven is echter meestal van korte duur, en de evolutie van ei tot imago duurt dan ook meestal langer dan de leeftijd van het imago.

Veel kevers zijn groen van kleur en ze hebben zo een schutkleur, een extreem geval is het schildpadtorretje dan niet alleen groen van kleur is maar ook  nog volledig plat waaronder de volledige kever, zoals bij een schildpad, schuil gaat. De larven van deze laatste hebben ook nog eens een speciale manier om zich te beschermen, ze dragen namelijk hun uitwerpselen aan hun uiteinde en in gaval van gevaar gaan ze dit over zich heen houden om zo aan een  eventuele predator te ontsnappen. Andere kevers zoals bij sommige boktorren gaan een waarschuwingskleur dragen zoals bvb de wespenbok om zo de vijanden te verschalken. De Coccinellidae hebben een  walgelijke smaak en zijn zo geen prooi voor de vogels. Een bijzonder geval is wel de bombardeer kever, bij gevaar gaat deze een vloeistof uit zijn anaalopening persen die bij aanraking met de lucht met een hoorbaar knalletje en een rookwolk zijn vijand doet schrikken.

De Meloidae en andere weekschildkevers bevatten cantharidine, een stof  die voor sommige dieren zeer giftig is, andere dieren zoals kippen eenden en zwaluwen kunnen dan weer goed tegen dat gif en consumeren met graagte deze kevers.

Geluid en licht:

Evenals de sprinkhanen zijn er een aantal kevers die geluid produceren. Een groep doet dit door de achterrand van de thorax tegen de voorrand van het achterlijf te wrijven zoals leliehaantjes en populierhaantjes. Andere wrijven dan weer met het achterlijf tegen chitinelijsten aan de dekschildranden zoals sommige mestkevers.

Een andere vorm van geluid voortbrengen is het kloppen met de kop tegen de ondergrond waarop ze zitten, in de volksmond noemt men dit doodskloppertjes.

Naast geluid kunnen sommige soorten ook licht produceren, dit kent men bij ons van de glimwormen, maar in de tropen komt dit ook voor bij sommige kniptorren.

 Nut en schade:

Het hoeft heen betoog dat voor de menselijke activiteiten een groot deel van de kevers tot de schadelijke insecten worden gerekend. Alle plantenetende soorten worden dan ook met grote ijver bestreden. Veel soorten echter zijn door het carnivore karakter nuttig. Zo zijn de meeste Lieve Heersbeestjes zeer nuttig door het vernietigen van bladluizen, kortschildkevers en loopkevers eten andere schadelijk organismen. Jammer genoeg zijn de pesticiden met een breed spectrum en vernietigen ze zowel nuttige als schadelijke insecten.

Bij deze resumé  heb ik mij laten leiden door Thieme’s kevergids van K.W. Harde en F. Severa. Een boek dat ik iedere insectenliefhebber kan aanbevelen alleen al om de mooie en duidelijke tekeningen.

 

 

    
       
  home          invertebraten
 
 
 
 
 
 
 
 
 
  terug