|
Over 350.000 soorten een kort verhaal vertellen is geen
gemakkelijke opdracht. Kevers zijn zo verscheiden, zo
verschillend, steeds weer kom je een nieuw perspectief tegen
om verwonderd over te zijn. We proberen hier in het kort de
kern samen te vatten van wat een kever is.
Lichaamsbouw:
De lichaamsbouw is ondanks het veelvoud van uiteenlopende
levenswijzen en het onvoorstelbaar aantal soorten op zekere
wijze uniform te noemen. Denk eens aan de Lieve-Heer
beestjes, de Coloradokever en de meikever, de meest gekende
soorten, dan heeft men een bepaald type voor ogen. Zoals
alle insecten hebben de kevers een exoskelet, een stevig
omhulsel van chitine dat bij de meeste soorten vrij hard is.
Enkele uitzonderingen hebben een zacht chitine pantser zoals
de oliekevers en de weekschildkevers. Kevers kan men direct
herkennen aan de dekschilden die het lichaam geheel of
gedeeltelijk (kortschildkevers) bedekken, deze beschermen
het weke achterlijf en de vliesvleugels die ze gebruiken om
te vliegen, uitzonderingen zijn er ook natuurlijk, denk maar
aan de larvevormige vrouwtjes bij de glimwormen die geen
zichtbare dekschilden hebben.
Bij de kevers kan men meestal heel duidelijk de kop,
borststuk en achterlijf herkennen. Ook daar zijn enkele
merkwaardigheden: de kaken kunnen zoals bij het vliegend
hert enorm uitgroeien en sommige kevertjes hebben vier ogen
(Gyrinindae = schrijverkes) die zowel boven als
onder water kijken ( er bestaat ook een hertkever uit Z.
Amerika met 4 ogen). Meestal zijn de kaken aangepast aan het
voedsel dat de kevers tot zich nemen, ze zijn vergezeld van
kaak en liptasters die voor de voedselkeuze van beslissend
belang zijn.
Het borststuk bestaat uit drie segmenten, voor-, midden- en
achterborststuk, het achterlijf bestaat uit meerdere
segmenten, meestal 8 à 9.
Ontwikkeling:
Bij de insecten hebben zich twee ontwikkelingstypes
gevormd. De eerste, bij de onvolledige gedaanteverwisseling,
komt uit het ei een larve die al een sterke gelijkenis
vertoont met het volassen dier. Bij de kevers is er echter
een volledige gedaanteverwisseling, een metamorfose. Hierbij
komt uit het ei een larve die absoluut niet op het volwassen
insect lijkt. In een tussenstadium wordt de larve een pop en
daaruit ontstaat uiteindelijk het volwassen insect, ook
imago genaamd. Er zijn ook enkele gevallen bekend van
hypermetamorphose waar bij de larven een tussenstadium
bestaat (bvb. Meloidae).
Oecologie:
Kevers vindt men in alle mogelijke niches, op het land, in
het water , in de lucht. Hele groepen vindt men in het water
zoals de Dytiscidae en Hydrophilidae. Andere
vindt men bvb. uitsluitend bij mieren, andere zijn dan weer
door de evolutie aan menselijke activiteiten gekoppeld.
Fysiologie:
Het is de kevers niet alleen gelukt om alle denkbare
biotopen te bevolken, ook alle denkbare organisch voedsel
wordt door hen gebruikt, zelf enkele anorganische stoffen
zoals lood worden als voedsel gebruikt. Enkele soorten zijn
zeer gespecialiseerd zoals de coloradokever die praktisch
enkel aardappelen lust maar ook nachtschade op zijn menu
staan heeft. Polyfagen eten zowat alles wat groen is,
daartussen vinden we alle mogelijke nuances. Anderen zijn
dan weer gebonden aan bepaalde planten zoals het
leliehaantje of het aspergekevertje terwijl andere soorten
minder kieskeurig zijn.
Een deel zijn rovers zoals de loopkevers en kortschildkevers
en de geelgerande watertorren.
Een grote groep zijn de “opruimers”. De mestkevers zorgen
ervoor dat de mest verwerkt wordt, de aaskevers ontfermen
zich over de dode dieren en de ander stoffelijke resten.
Water is voor alle levende organismen noodzakelijk, maar
sommige kevers die in de woestijnen leven zoals vele
zwartlijfkevers kunnen uit het geringste voedsel nog hun
voorraad vocht opdoen. Andere groepen zijn dan weer
gebonden aan zeer vochtige milieus en er zijn er die leven
in en onder het water.
Voortplanting:
De meeste keversoorten leven vrij lang als larve terwijl hun
leven als volkomen imago dikwijls zeer kort is. In die korte
tijd moeten ze een partner vinden en voor hun nageslacht
zorgen. Mannetjes vinden de vrouwtjes meestal zoals bij vele
insecten door geuren, het zicht speelt bijna of geen rol in
het vinden van een partner. Sommige soorten zoeken bepaalde
planten op en hebben zo een zekerheid om daar dan een
partner aan te treffen. Komt er een concurrent aan dan
kunnen sommige soorten hun territorium met verve verdedigen.
Wie microcosmos zag herinnert zich beslist het gevecht met
de vliegende herten maar ook doodgravers en boktorren komen
hevige gevechten voor.
Wanneer twee partners elkaar dan uiteindelijk gevonden
hebben kan de paring plaatshebben, deze kan kort zijn maar
ook uren duren. Meestal worden de eieren dan vlug afgezet
maar ze kunnen ook een tijd bewaard worden in het lichaam
van het vrouwtje, de mannelijke zaadcellen worden dan
tijdelijk bewaard in het “receptaculatum seminis” of “spermatheca”.
De eieren worden meestal doelbewust afgezet en aldus zorgt
het vrouwtje al voor de uitkomende larven.
Broedzorg:
De eenvoudigste vorm van broedzorg is de eitjes afzetten op
de waardplant van de larven. Vele soorten echter zijn daar
niet tevreden mee en nemen extra voorzorgen. De vrouwtjes
hebben dan meestal een lange legboor waar ze de eitjes zo
onbereikbaar mogelijk voor vijanden kunnen wegbergen.
Bladrollers maken van een blad een rolletje waar ze het ei
in deponeren, de snuitkevers van het genus Curculio
boren een gat in een jonge hazelnoot of en eikel en leggen
daarin hun ei. Iedereen zag wel eens een pillendraaier zij
mestbal wegrollen naar wie weet waar om die daar te begraven
als voedsel voor zijn larve.
Zo zijn er tal van specialisaties waarover je in de
vaklitteratuur kan lezen.
Verdediging:
Een typisch gedrag bij insecten is dat insecten die geen
broedzorg hebben een groot aantal eieren aflegt, zij
daarentegen die broedzorg besteden kunnen het met een heel
aantal minder eieren stellen. Een keverleven is echter
meestal van korte duur, en de evolutie van ei tot imago
duurt dan ook meestal langer dan de leeftijd van het imago.
Veel kevers zijn groen van kleur en ze hebben zo een
schutkleur, een extreem geval is het schildpadtorretje dan
niet alleen groen van kleur is maar ook nog volledig plat
waaronder de volledige kever, zoals bij een schildpad,
schuil gaat. De larven van deze laatste hebben ook nog eens
een speciale manier om zich te beschermen, ze dragen
namelijk hun uitwerpselen aan hun uiteinde en in gaval van
gevaar gaan ze dit over zich heen houden om zo aan een
eventuele predator te ontsnappen. Andere kevers zoals bij
sommige boktorren gaan een waarschuwingskleur dragen zoals
bvb de wespenbok om zo de vijanden te verschalken. De
Coccinellidae hebben een walgelijke smaak en zijn zo
geen prooi voor de vogels. Een bijzonder geval is wel de
bombardeer kever, bij gevaar gaat deze een vloeistof uit
zijn anaalopening persen die bij aanraking met de lucht met
een hoorbaar knalletje en een rookwolk zijn vijand doet
schrikken.
De Meloidae en andere weekschildkevers bevatten
cantharidine, een stof die voor sommige dieren zeer giftig
is, andere dieren zoals kippen eenden en zwaluwen kunnen dan
weer goed tegen dat gif en consumeren met graagte deze
kevers.
Geluid en licht:
Evenals de sprinkhanen zijn er een aantal kevers die geluid
produceren. Een groep doet dit door de achterrand van de
thorax tegen de voorrand van het achterlijf te wrijven zoals
leliehaantjes en populierhaantjes. Andere wrijven dan weer
met het achterlijf tegen chitinelijsten aan de
dekschildranden zoals sommige mestkevers.
Een andere vorm van geluid voortbrengen is het kloppen met
de kop tegen de ondergrond waarop ze zitten, in de volksmond
noemt men dit doodskloppertjes.
Naast geluid kunnen sommige soorten ook licht produceren,
dit kent men bij ons van de glimwormen, maar in de tropen
komt dit ook voor bij sommige kniptorren.
Nut en schade:
Het hoeft heen betoog dat voor de menselijke activiteiten
een groot deel van de kevers tot de schadelijke insecten
worden gerekend. Alle plantenetende soorten worden dan ook
met grote ijver bestreden. Veel soorten echter zijn door het
carnivore karakter nuttig. Zo zijn de meeste Lieve
Heersbeestjes zeer nuttig door het vernietigen van
bladluizen, kortschildkevers en loopkevers eten andere
schadelijk organismen. Jammer genoeg zijn de pesticiden met
een breed spectrum en vernietigen ze zowel nuttige als
schadelijke insecten.
Bij deze resumé heb ik mij laten leiden door
Thieme’s kevergids van K.W. Harde en F. Severa. Een boek dat
ik iedere insectenliefhebber kan aanbevelen alleen al om de
mooie en duidelijke tekeningen.
|