$

5-2-3

het dagboek van een groenling    hugo verschelden

Hier vind je de ervaringen van een beginnend natuurliefhebber. (Hugo Verschelden)
Alle artikeltjes werden gepubliceerd in het tijdschrift  Meander. 


Dagboek van een ‘groenling’ 1  (*) .     
*een beginnend natuurliefhebber

Bladzijde 1

Daar staat een man met baard en regenscherm . Hij klopt met een stok op de struiken en scharrelt tussen de blaadjes en takjes die van de struik in zijn regenscherm gevallen zijn. Ik sta er verwonderd bij en besef nu pas, na al die jaren dat ik onder de zon loop,  dat alles vol beestjes zit .  In je huis,  een boom,  iedere struik, op alles om je heen leven beestjes . Ze hebben het me wel ooit honderd keer verteld, maar ik zag en besefte het niet .  Een nieuwe wondere wereld gaat voor me open. En dat allemaal door die vriendelijke dame van de invertebratenwerkgroep die me voor een opendeurdag heeft uitgenodigd.  

Note :  Ik had toen nog nooit van invertebraten gehoord en moet eerlijk bekennen dat ik tot dan niet echt van insecten hield. En er eigenlijk wat bang voor was (ben).

 De getijgerde lijmspuiter.   

Er zitten getijgerde lijmspuiters in mijn huis !  Ik krijgt bij het horen van hun naam alleen al de kriebels en de bobbels op mijn lijf. Maar de man achter de tafel staat er rustig bij te glimlachen en toont zo’n  beest in een plastic potje. Gelukkig valt het formaat wel mee en met de kalmerende uitleg van de ‘spinnenman’ (spiderman) gaan de rillingen vrij vlug over . Ook de manier waarop hij de andere spinnen als een snoepje uit de doosjes grist, brengen me in twijfel . Waarom ben ik bang voor spinnen ? Wat later in de ijskelder van het Liedtspark zit ik er zelf al midden in.  Maar ze vastnemen, dat kan nog even wachten.   

Note :   In twee uur tijd kan men mijn fobie wegnemen. 

Namen  

Ik ben zo slecht in namen dat het geen naam heeft.  Laat staan al die latijnse namen.  Het moeten toch allemaal zeer slimme mensen zijn die al die planten en beestjes zo uit het hoofd kunnen benoemen, denk ik terwijl ik met de plantenwerkgroep een vierkante kilometer te Roborst uitkam.  Als het nu maar enkele namen waren , maar neen mijn mond valt helemaal open als ik de vlotheid hoor waarmee de plantkundigen hun omvangrijke groene wereld vastleggen. Even wordt het me teveel en zakt de moed me in de laarzen .

 Note : Ik koop me alvast een boek en ga beslist nog mee tussen al dat groen.

Waar ?

Waar ?  Daar !  Zie je ze niet ?  Daar verder op de Schelde  !  Neen,  meer naar rechts !  Met hun drieën vliegen ze laag over het water.  Oeverlopers.  Ja het zijn oeverlopers , Je ziet het aan hun vlucht.  Ik kijk mijn ogen uit,maar zie de vogels nog niet die de jongeman me wil tonen.   Ja !  Daar !  roep ik zelf nu ook opgewonden.  Ze landen op de oeverstenen  en lopen daar schokkerig  rond te pikken.  ‘Kijk maar eens door mijn kijker ‘. zegt de man lachend .  

Ik krijg vleugels van het enthousiasme van de vogelwerkgroep. 

Note:   Ik moet echt nog leren kijken .


Dagboek van een groenling  2  

Ervaringen van een beginnend natuurliefhebber.

De eerste ontdekking.

Hier sta ik dan alleen en onwennig tussen al dat groen op zoek naar insecten. Ik weet dat ze er zitten, doch ik moet ze nog zien te vinden. Ik heb alvast een regenscherm en de wandelstok van mijn grootvader meegebracht om ze te verschalken. Er is gelukkig geen levende ziel in de buurt te bekennen, dus niemand kan me voor gek aanzien. Het moment om toe te slaan lijkt me dus aangebroken. Voor het eerst in mijn leven klop ik met de wandelstok op de struiken terwijl ik de inhoud in de gele paraplu opvang. Een nieuwe hobby is hiermee gestart. Een memorabele gebeurtenis dus.

De vangst valt echter wel wat tegen. Afgezien van wat spinnetjes, enige groene luizen, enkele mieren, een paar groene rupsen en een nietig klein kevertje rent er niets over het doek. Wat ontgoocheld schud ik de beestjes in het gras. Een groene rups moet dit echter voorzien hebben en bengelt veilig met een draadje aan een balein van het scherm. Wat verwonderd sta ik er bij te kijken . Een moment denk ik dat ze in een spindraad van een spinnetje vastzit, maar besef tenslotte dat het beestje zichzelf heeft verankerd. Op de eerste pagina van mijn waarnemingsboekje noteer ik deze eerste vaststelling.  

Noot: Onbekende rups gevonden die spint. Dat een rups kan spinnen dat kon ik weten!

Vermits ik nog geen insectenboek bezit, kan ik nog niet met determinatie beginnen. Ook de kevertjes,spinnetjes en rupsen uit de volgende klopbeurten blijven dus onbekend voor de wetenschap. Maar ik geraak in het geheel niet ontmoedigd en blijf me verwonderen over al dat kleinwonderlijke  leven. Enthousiast nieuwsgierig blijf ik in het rond kloppen, ik vergeet de tijd en voel me in een andere wereld. Midden tussen de blaadjes en de beestjes lijkt het wel of ik gekrompen ben. De wereld van de grote mensen is ver weg.  ‘Huggie in wonderland’ !  

Ik verkeerde toen een hele tijd in een lichte trance tot mijn ogen, geheel onverwacht in een struik bleven hangen. Tussen de schermbloempjes van het fluitekruid zat iets rood en het bewoog!  Mijn adem stokte van verbazing. Zo’n rood-zwart-gestreept-kevertje dat er rondscharrelde had ik nog nooit in onze contreien gezien. Mijn bloeddruk steeg nog meer. Ik besefte dat dit mijn eerste ‘belangrijke’ ontdekking was en voelde me als Darwin bij de ontdekking van de evolutietheorie. Nerveus en onwennig schudde ik het merkwaardige kevertje in een potje. Zowel de vorm, de tekening als de kleur van de kever bleven me verbazen. Het leek wel een tropisch insect en een nieuw specimen voor de wetenschap.

Wat later ontdekte ik dat het diertje toch reeds in de wetenschappelijke kringen gekend was en al een tijdje met de toepasselijke naam ’pyamawants’ op onze wereld rondscharrelt.

Toch verheugde ik me met mijn vondst en met mijn eerste geslaagde determinatie. Het beest was echter minder tevreden en toonde duidelijk zijn ongenoegen. Want toen ik het terug in de natuur plaatste, besproeide het mijn handen met zijn indringende geur. Zeep en water konden het parfum niet echt wegnemen. Want hoe ik mijn handen ook waste, de stank bleef nog een hele dag diep in mijn neus kleven. Als ik mijn ogen sluit kan ik het nog ruiken.  Doch achteraf gezien is dit ongemak niet erg want het versterkt de herinnering aan dat mooie moment van mijn allereerste ontdekking.

Noot :  Pyamawantsen zijn stinkerds .

Nog op te zoeken :  Is een wants nu een kever of niet ? 

Beste lezer : Als beginnend amateur weet ik niet of mijn ontdekkingen wetenschappelijk correct zijn. Dus voel je vrij om te reageren.                              verscheldenhugo@hotmail.com


3

Het jaar van de vlinder

Het aanbod in de natuur is zo overweldigend dat ik onmogelijk alles kan verkennen. Ook al is mijn nieuwsgierigheid uitermate geprikkeld en al wil ik zoveel mogelijk ontdekken, ik besef dat ik toch zal moeten kiezen. Even kwelt me de gedachte dat ik veel vroeger had moeten beginnen, maar gedane zaken nemen geen keer en ik zet me maar even onder de sterren om mijn gedachten naar de toekomst te richten.    

De wondere, bijna voorhistorische, wereld van de invertebraten boeit me uitermate en al heb ik nog een psychologische afkeer om ze aan te raken, ik wil er toch korter bij komen. Vermits de aaibaarheidsfactor van die beestjes voor mij dus voorlopig nog een belangrijke rol in mijn beslissing speelt, lijken me de vlinders een geschiktste keuze. Het aantal soorten is in onze streken beperkt en dus voor een beginnend ‘entomoloog’ misschien nog een haalbare zaak om ze te determineren. Daar die schepsels bovendien fotogeniek zijn, komt mijn andere hobby ook nog aan bod. Al is de lens van mijn fototoestel wel wat kort om de vlinders rustig van op afstand te kunnen fotograferen. Maar dat deert me niet. De uitdaging om de verlegen modellen tot kort te naderen geeft me dan toch ook weer een kick. Mijn besluit is genomen.

Noot : Ik start ‘Het jaar van de vlinder.’ Meer specifiek de dagvlinder want nachtvlinders zien er voor mij voorlopig niet zo aaibaar uit. Verder kan er tussendoor nog altijd wel een ander beestje of plantje bij. 

Als ik nu de voorbije zomer en herfst bekijk dan moet ik toegeven dat de bonte fladderaars me aardig tussen de vleugels hebben genomen. En dat alles op een boogscheut van ons huis. Het land en de plassen langs de Schelde tussen Oudenaarde en Welden werden: ‘Mijn  persoonlijk reservaat’. Al blijft ieder er uiteraard welkom. Op de fiets langs de velden en meersen genoot ik van mijn vondsten en ontdekkingen. Regelmatig zakte ik op mijn knieën of ellebogen, het kontje in de lucht, om een vlinder te bekijken en te fotograferen. Toevallige fietsers begaapten me alsof ikzelf een nieuw specimen was. Maar ik verdroeg dit alles zonder schaamte. De vlinders trokken al mijn aandacht en het verwonderde mij hoeveel er te zien waren. Was ik vroeger dan natuurblind ?

Tussendoor ontmoette ik ook andere schepselen uit de natuur. Libellen, zweefvliegen, wantsen, slakken, onbekende kevertjes, en nog veel meer bijzonders kwam me tegemoet. Al waren er ook minder aangename ontmoetingen . Kleine onverlaten stoken en beten me in het hoge gras. En dat altijd net op het moment dat ik als een kat gespannen klaar zat om dé foto van de dag te nemen. Ik maakte mezelf wijs dat ik de beet niet voelde en deed alle moeite om de knagende jeuk te vergeten. De foto’s van de vlinders verzachtten mijn kwellingen.

Maar niet alleen de vlinders trokken mijn aandacht . Op het jaagpad langs de rivier en bij de plassen doken onbekende vogels in wilde vlucht langs me heen. En overal vond ik wilde planten met merkwaardige vormen, bloemen en geuren. Ik probeerde dat alles op te snuiven en in mijn hoofd op te nemen. Nog nooit eerder voelde ik me zo opgenomen in de natuur. En dat had ik de sprankelde lente vol nieuw leven nog niet meegemaakt !

De maaibalk die de Scheldeoever kaal ruimde, verstoorde echter mijn waarnemingen en mijn dromen. Vele vlinders verdwenen uit mijn reservaat . Ik hoop ze in de komende seizoenen toch nog weer te zien.

Als een beginnend entomoloog noteerde ik nauwgezet al mijn waarnemingen in een boekje om ze daarna in de computer netjes over te nemen. Tot mijn spijt en ergernis zijn de vele gegevens en bevindingen die ik noteerde door een virus weggemaaid. Het soort virus heb ik spijtig genoeg niet tijdig kunnen determineren.

Noot:  Vergeet in het vervolg geen ‘backup’ te nemen of de waarnemingen tijdig aan de buitenwereld door te geven.

Gelukkig heb ik mijn boekje nog en kan ik hier met enige bescheiden fierheid mijn waarnemingen en enkele foto’s nog even kwijt.  

74x Atalanta, 137x Dagpauwoog, 60x Distelvlinder, Oranje- en bruin zandoogje (zeer veel), 22x Bont zandoogje,  9x Kleine vos , Icarus blauwtje ( 77 afzonderlijke expl !), 1x boomblauwtje(Waasland) , 1x Bruin blauwtje (Waasland),  21x Koninginnepage, Witjes  (niet geregistreerd wegens problemen met het verschil tussen groot en klein koolwitje),13x geaderd koolwitje, 5x Oranje luzernevlinder , 1x Landkaartje, 13x Gehakkelde aurelia,  

Ook verscheidene kolibrievlinders, veel gamma-uiltjes , zeer veel rupsen van St Jacobsvlinders, geelsprietdikkopjes ,veel groene kikkers, pad, ijsvogel, groene spechten ,

en tussen de plantjes onder andere een zeldzame en mooie Zwanebloem

 En om niet te vergeten de vrienden van de invertebraten werkgroep die me met hun kennis hebben overgoten.


Het dagboek van een groenling 4


Een inspirerende vlieg
.

Een jaar geleden is het nu dat ik ‘de beestjes’ ontdekte. Nu zie ik ze overal, tot in de kleinste hoekjes. In de spleetjes van oude bomen, onder het bladerdek, langs de rand van een bloempot, op zolder, in de kelder, in mijn slaapkamer, zelfs in mijn dromen.  Je kan geen plekje bedenken of ze zitten me daar stilletjes aan te staren. Met hun piepkleine oogjes of tentakels en andere onderdelen volgen ze argwanend mijn 'mouvementen' . Ook zij zijn nieuwsgierig maar duiken toch veilig weg als ik te dichtbij kom. Want zij weten instinctief dat het een wereld is van eten en gegeten worden. Een hard leven is het. Overal dreigt hen het gevaar. Overal zitten vijandige beestjes klaar om hun schaal te doorprikken en hun lijfjes leeg te zuigen. Ze voelen nu ook nog mijn adem als ik ze benader.

Begrijp me niet verkeerd als je het bovenstaande leest. Ik ben geen drinkebroer, heb geen delirium of enige andere waan. Neen, ik zoek de invertebraten nu uit passie. Neem ze met mijn fototoestel, mijn verrekijker en mijn notaboek. Ik fotografeer en noteer. Ik verzamel ze in mijn computer. Een beestjeachtige obsessie is deze hobby geworden. Maar dat is, besef ik nu, nog maar de eerste fase. Een periode van verzamelen om te verzamelen. Zoals ik als een tiener zonder veel nadenken chromo’s, auto's of filmsterren als trofeeën in een cahiertje zat te plakken en trots aan ieder toonde. Neen, daar kan het niet bij blijven. Ik wil meer over ze weten. 

Nu, uitgerekend terwijl ik dit neerschrijf, zit er toch wel een vlieg vóór me in haar pootjes te wrijven. Een handeling die me wel al eerder bij andere vliegen is opgevallen. Wellicht zal jij, als aandachtige lezer, dat ook wel eens hebben waargenomen. Maar hebben we ons ooit afgevraagd  waarom de vliegen dat eigenlijk doen? Ik niet.  Zou ze het vuil van haar pootjes vegen, heeft ze het koud, geniet ze nog even na van een lekkere hap, of verheugt ze zich misschien op wat er komen gaat en zit ze klaar om me 'vliegensvlug' te komen steken? Ik weet wel dat het antwoord op deze kwestie niet echt belangrijk is. Daar gaat het hier eigenlijk  ook niet om, maar ik besef nu ten volle dat het ook tijd wordt om naar de waarom’s en hoe’s op zoek te gaan. Me niet enkel bevragen wat voor merkwaardig dier er voor de lens zit. Niet enkel bekijken en verzamelen maar nagaan waarom de beestjes zich zo en zo gedragen. Me verdiepen in hun handelingen en hun bezigheden.  

Nu kan een mens alles van vooraf aan opnieuw gaan onderzoeken en uitvissen. Het warm water uitvinden dus. Doch dat heb ik altijd al tijdverlies gevonden. Je moet geen tijd stoppen in wat al ergens geweten is, en zonder enige voorkennis uren naar een vlieg zitten gapen. Neen, laat ik eerst de bestaande lectuur, internet en de specialisten (ook bij natuurpunt!) raadplegen, dan leer ik kijken naar wat ik moet kijken en kan altijd nog zelf een mening vormen en misschien met wat geluk ook nog wel iets nieuws ontdekken. Al is het me daar nu niet echt om te doen . ‘Maar je weet maar nooit !‘ zei Polycarpus, veel ongewervelden zijn immers nog niet in detail bestudeerd. Ik trek dus mijn vleugels aan en vlieg snel naar de bib. De bron van veel kennis en wijsheid ligt daar gewoon als nectar voor het grijpen in de rekken. Het begin van een nieuwe zoektocht in die wondere wereld van de invertebraten. 

Vele vragen borrelen reeds in mijn hoofd. Ik noteer er alvast een paar in mijn ‘notebook’. 

° Waarom paren vlinders tegenliggend en maken libellen het met hun paringswiel nog moeilijker ? Zitten hun vleugels misschien in de weg ? 

° Heeft een rups al vliegspieren, die ze later als vlinder nodig heeft ? Zit de kennis van het vliegen al in een rups?  

° Waarom vallen spinnen niet van de draad die ze spinnen ?  Het spinsel in hun spinselklieren is toch vloeibaar ! 

° Waarom wrijft die vlieg daar vóór me in haar pootjes ?   : - )

 

 

Dagboek van een groenling   5                                                                             januari 2008
 

Erotiek en seks bij de beestjes.

 

We denken er in ons bed of op andere plaatsen niet altijd aan maar erotiek en seks houden het leven op onze planeet gaande. Dat geldt niet alleen voor ons maar voor het hele dierenrijk. Het onderwerp is dus van levensbelang te noemen en nu seks en erotiek geen taboe meer zijn, waag ik het erop om er dan ook een  artikel aan te besteden. Als je echter op zoek bent naar een goed recept voor een aardig  liefdesleven, moet ik je wel teleurstellen. Je vindt hier maar weinig soelaas voor eventuele problemen in je liefde- en seksleven. Ik hou het voor mij veilig en beperk me hier immers uitsluitend tot het ‘amoureuze’ gedoe van de beestjes.   

Om het gedrag van onze fauna in de boeken te bestuderen stapte ik, zoals je weet uit eerdere artikels in dit tijdschrift, naar de bibliotheek. Nu vond ik het onderwerp van de voortplanting, waar we allen wel wat nieuwsgierig naar uitkijken, interessant genoeg om maar mee naar huis te nemen. En ik werd niet ontgoocheld, want de gedragingen van sommige van onze medeschepsels wekten mijn verwondering en, toegegeven, soms ook wel mijn bewondering. Het voortplantingsritueel, met bijhorende attributen, van vele van onze planeetbewoners is immers volgens onze normen toch wel zeer ‘merkwaardig’ te noemen.  Bovendien moet het aantal variaties in de hofmakerij en de copulatie bij de diertjes zeker niet voor de welgekende Kamasutra onderdoen.  Maar kom, laat ik jullie geduld niet langer op de proef stellen en die sluier oplichten. 

Zoals je weet, tenzij je niet in de evolutietheorie gelooft, is alle leven in de zee ontstaan, daarna deels uit die zee gekomen en er ook weer gedeeltelijk naar teruggekeerd.  Eencellige verenigden zich tot meercellige en die zijn dan weer uitgegroeid tot de verschillende soorten wezens die we nu op het land, in het water en in de lucht ontmoeten. Ieder schepsel diende zich daarbij aan de wijzigende omstandigheden aan te passen. Geleidelijk vervormde hun lichaam om zo goed mogelijk in de omgeving te passen. Dat wisten we natuurlijk al allemaal. Maar wat we meestal over het hoofd zien is het feit dat ook de genitaliën met bijhorende gebruiksaanwijzingen zich volgens de specifieke noodwendigheden wijzigden. 

De diverse soorten hebben op dat vlak hun best gedaan en zijn dikwijls tot verschillende oplossingen gekomen.  Niet elk mannelijk beestje loopt of zwemt dus met een penisje rond dat in het vrouwtje moet belanden om voor nakomelingen te zorgen. Neen, velen moeten het zelfs zonder stellen. Anderen hebben dan weer twee exemplaren of bezitten zowel het mannelijke als het vrouwelijke geslachtsorgaan. Ook de liefdesdaad voltrekt zich dikwijls op buitenissige wijzen. Sommigen dieren doen het liefst van op een afstand en laten het zaad en de hom gewoon losjes in het water ronddrijven. Andere verpakken hun sperma in spermapakketjes en leggen het voor het vrouwtje grijpklaar. Er zijn er zelfs die met die spermatoforen naar het vrouwtje gooien of gewoon gewetenloos ergens door de huid van een wijfje prikken waarbij de  spermatozoïden zich in haar lichaam verdelen en aldaar de  eitjes gaan zoeken. Het wordt nog straffer, wanneer de kleine mannetjes gewoon gans hun leven in het lijf van het vrouwtje wonen om ter plekke de eitjes te bevruchten. Andere mannetjes stoten dan weer een deel van hun lijf af en sturen het losgekomen lichaamsdeel naar het rijpe vrouwtje. Je moet wel helemaal malloot  zijn als je het seksen met je partner aan zo’n helper overlaat, vind ik, maar toch moet ik hem ergens gelijk geven (lees verder). En dan zijn er ook nog de onverbiddelijke minnaars die voor één enkele seksbeurt hun leven riskeren en het dikwijls ook verliezen omdat hun partner hen met veel liefde opeet.  Haar  ‘sexappeal’ moet wel erg krachtig zijn om je zo te laten inpakken.

 In de dierenwereld verloopt het liefdesspel, zoals je dus merkt, niet altijd even knus. Het overleven van de soort primeert. Het is pure ‘business’ waarbij alles nogal machinaal en zonder veel liefde en genegenheid verloopt. Enkel de drang om de soort te laten voortbestaan duwt de seksen af en toe naar elkaar. Meestal bepaalt de biologische klok in de vrouwtjes het moment waarop de geduldig wachtende mannetjes over de brug mogen komen, al is verkrachting bij sommige soorten ook niet uitgesloten. Ook het paringsprotocol van de soort dient strikt gevolgd wil de  ‘deal’  überhaupt doorgaan.  

Het is hier in dit korte bestek  onbegonnen werk om alle standjes uitvoerig te beschrijven. Toch wil ik jullie in enkele van de verleiding- en copulatietechnieken inwijden. Wie er meer wil over weten kan altijd nog op zoektocht  in de bibliotheek, de  boekhandel, op het internet en uiteraard in de natuur.  

 Seks van op een afstandje

 Zoals ik al eerder meldde bestaat er seks waarbij de partners elkaar niet aanraken. Bij de vissen vindt men hiervan verscheidene voorbeelden. Veel vissoorten paaien waarbij ze min of meer in elkaars buurt hun kuit en hom lossen. De bevruchting van de eitjes geschiedt dan gewoon uitwendig, in het water. Zoals je begrijpt gaat hierbij veel genetisch materiaal verloren en heel efficiënt is dat dus niet. De grote hoeveelheden moeten het succes op nakomelingen dan maar verzekeren. 

Sommige vissen weten dit verlies wel wat te beperken. Zo bouwt het op seks beluste stekelbaarsje met wat plantenmateriaal een tunneltje op de bodem van de beek.  Dan zwemt hij naar een met kuit gevuld vrouwtje, toont zijn bonte kleurenjas, schiet wild voor haar heen en weer en lokt haar naar zijn hemelbedje. Daar onder de hemel van groen legt zij in een minuut tot wel honderd eitjes. Onze vrijer blijft haar ondertussen aanmoedigen door tegen haar onderbuik te duwen. Van zodra ze uit het nest vlucht neemt het mannetje haar plaats in en spuit een homdruppeltje  over het legsel.  Het vrouwtje dat haar sexappeal ondertussen  alweer verloren heeft, mag in geen geval nog in de buurt komen.  Ons baasje schikt nu vlug het nest en gaat opnieuw op zoek naar het volgende bollig wijfje om ook haar eitjes in zijn nest te krijgen. De avances gaan zo door tot de minnaar meent dat hij voldoende eitjes onder zijn hoede heeft.  Je begrijpt dat je voor deze vorm van seks geen penis nodig hebt.  En al heeft een stekelbaarsje wat stekels er ontbreekt dan toch dat ene speciale ‘stekeltje’ .

 Seks in pakjes

 Een dier met weer een ander stekeltje is de schorpioen. Zoals ieder weet is dat gekromde uitsteeksel op het achterlijf dodelijk gevaarlijk. De ‘verliefde’ partners moeten tijdens hun liefdesspel dit onding dus te allen tijde zien te mijden. De ontmoeting lijkt in dit geval ook meer op het gevecht van twee gladiatoren dan op een minzaam liefdespel. Met opgeheven scharen naderen de beestjes elkaar tot hun gevaarlijke klauwen in elkaar gaan haken en het koppel zich wat veiliger kan voelen. In het daaropvolgende ritueel proberen de beide partijen hun giftige angel ook zo goed mogelijk thuis te houden. Het spel begint met een wilde rondedans die veel van een  krachtmeting weg heeft. Eens de dame begrijpt waarover het gaat, komt het er bij hem op aan zijn zaad bij haar geslachtsopening te krijgen. Haar bestijgen kan alvast niet en ook het onderspit mag hij niet delven.  Toch weet hij beter dan wie ook dit moeilijke probleem op te lossen. Hij verpakt  zijn sperma in een kleine capsule die hij voor haar in de grond wrikt.  Dan schuifelt hij met haar voorzichtig achteruit en manoeuvreert zijn geliefde boven de capsule waarbij hij hoopt dat ze dit spermapakketje in haar geslachtsopening kan opnemen. Niet eenvoudig dus en het mislukt dan ook geregeld. Zeker omdat het voor haar niet te lang mag duren of ze krijgt er genoeg van en geeft hem een dodelijke prik met haar vervaarlijke stekel. Hij weet dit en hoopt haar tijdig te kunnen lossen om vlug achterwaarts schuifelend een veiliger oord op te zoeken.

 Sekscelibatair

 Borstelwormen die zich ophouden in de riffen van de stille Zuidzee nemen geen enkel risico en kiezen voor de status ‘sekscelibatair‘. Je kan het ‘vrijen met volmacht’ noemen. De Palolo’s, zoals die diertjes noemen, sturen van zodra de paartijd gekomen is, hun sperma of eitjes naar de achterste helft van hun lichaam. Dit achtereind heeft ook een rudimentaire kop met oogvlek.  Als alle voorbereidingen getroffen zijn, lossen de wormen hun achtereind en laten ze het verdere paaien aan dit wegwerpachterste over. Gedurende het volgende jaar groeien de wormen wel weer een stuk bij tot de maan alweer juist staat en de cyclus van vooraf aan kan beginnen. Op zo’n moment krioelt de zee alweer van wriemelende en paaiende spaghetti, welke voor de eilandbewoners een welgekomen delicatesse blijkt te zijn. De eigenlijke celibatair wormen blijven daarbij veilig geborgen in het harde koraal.

 Seksbom

 Onze intelligente pijlstaartinktvis vindt dit emotieloze gedoe van de borstelworm maar niets. Hij is een ware casanova. Dé ‘Lover’ met grote L dus!  Hij maakt spermapakketjes (spermatoforen) welke een soort veermechanisme en lijm in zich hebben.  Terwijl hij zijn intimiteiten met een wijfje opvoert,  spuit onze opgewonden en rood aanlopende vrijer de spermacapsules in een van zijn tentakels. Het lijkt wel of hij een tros bananen uit zijn zakken haalt, schrijft John Sparks die dit bestudeerde. Dan  fixeert onze minnaar zich op het midden van haar tentakels en werpt de pakjes in het kuiltje waar ze als voetzoekers openspatten. Daar, in haar ‘boezem’ vastgekleefd, blijven ze tot zij ze zal bevruchten en in de zee zal wegblazen.  

Indien het vrijende koppel echter een speciaal standje verkiest, dan gaat het verhitte mannetje naast het vrouwtje zwemmen, neemt haar hoofd in zijn armen en schuift zijn tentakel met de geladen spermatoforen in haar ‘neusgat’. Een kokerholte  die naar haar geslachtsorganen leidt en waarin ook haar kieuwen liggen.  Hij wacht nog enige seconden tot de pakketjes als kleine granaten openspringen en tegen de wand blijven kleven.  De daad is hiermee voltrokken en onze casanova zwemt alweer naar een volgend wijfje, want met zo’n vierhonderd pakketjes op zak… .  

Seks met  hulpstuk. 

Zoals je al begreep zijn niet alle voortplantingsmethoden even efficiënt en de natuur heeft dan ook naar andere oplossingen gezocht om de kans op bevruchting te verhogen. De vrouwelijke partij kreeg hierbij een belangrijker rol in het overlevingsproces van de soort toegewezen. (Het moest er eens van komen !). De bevruchting kon beter in een veilige buik gebeuren en als het even kon, mochten de nakomelingen daar ook nog een tijdje verblijven. De natuur diende een keuze te maken en heeft wijselijk voor het vrouwelijke lichaam gekozen.  Het mannetje  diende  hiertoe wel in die veilige  buik van het vrouwtje te geraken om daar zijn deel van het genetisch materiaal uit te storten. Gezien nu de wijfjes van de verschillende soorten verschillend gebouwd waren, kreeg ook de mannelijke helft van de soort een passend  hulpstuk op zak.  Het moest immers klikken en zoiets was en is in sommige gevallen een hele opgave. 

Sekspikant

 Soms zit er  heel wat in de weg om comfortabel en veilig te kunnen vrijen . Zo moet de kreeft een gaatje in het harnas van zijn partner zien te vinden. Dat lukt hem niet zolang haar harnas hard is. Hij wacht dan ook tot zij vervelt en een paar dagen een zacht pantser draagt.  En dan is er het ondertussen opgeloste raadsel van de egels en de stekelvarkens die tijdens hun intimiteiten verwond kunnen geraken. Maar het blijkt achteraf gezien toch nog mee te vallen want de dieren vrijen veilig. Zij legt immers haar stekeltjes plat en het is ook logisch dat het kereltje met  een wat langere werd uitgerust om haar tegemoet te komen en haar voldoening te schenken. 

Seksfrigide

 Niet alleen de fysieke hindernis dient genomen, soms is er ook een psychische barrière.  Zo wil het vrouwtje van de draakvinzalm baas in eigen buik blijven. Wat  het  mannetje ook doet om haar te verleiden, niets kan die frigide oude vrijster opwinden. Ze duldt hem zelfs niet in haar buurt. Hij zit dus met een ernstig probleem om voor het voortbestaan van zijn soort te zorgen. Uiteindelijk zit er niets anders op dan haar te misleiden.  De verleider kreeg in de loop van de evolutie aan beide kieuwdeksels een lange draad die aan het uiteinde een verdikking vertoont. Met dit pakje nep gaat hij boven het vrouwtje hangen waarbij het vlezige bolletje voor haar ogen bungelt.  Zij meent in dit bolletje een watervlo te herkennen en in haar onnozelheid slikt ze het in en blijft erop sabbelen.  Voor hem tijd genoeg om zijn seksuele honger te stillen.    

 Seksorgie

 Ook de zeepokken hebben het niet gemakkelijk. Zij zitten immers vast, geankerd  aan de bodem en kunnen niet bij elkaar komen. Al zijn ze hermafrodiet en kunnen ze  het met zichzelf doen, toch verkiezen ze gezelschap.  De natuur heeft daar begrip voor en zocht een bevredigende oplossing om met hun afgelegen buren de liefde te bedrijven.  De beestjes kregen van moeder aarde immers een enorme  penis met een lengte van bijna twintig centimeter (bijna dertig keer hun lichaamslengte).  Eens uitgerold begint deze knaap als het ware zelfstandig de omgeving af te tasten tot hij een andere zeepok vindt en de eitjes bevrucht. De ontvangende zeepok kan dan op zijn/haar beurt bij de bevruchter toenadering zoeken.  Met veel zeepokken in de buurt belanden we al snel midden een orgie. En dan nog te bedenken dat elk zeepok twee penissen heeft ! 

Biseks 

Ook de slakken eten van twee walletjes. Als hermafrodiet genieten ze bovendien dubbel van elke copulatie. Prachtig om volgen is het liefdesspel van de tijgerslak. Wellicht  heb je deze gestreepte  naaktslak al in de tuin ontmoet.  Als deze dieren er zin in krijgen volgen ze elkaar in een boom. Kiezen een tak en laten zich samen aan een slijmdraad afzakken. Aldaar zwevend  tussen hemel en aarde wikkelen ze hun lichamen rond elkaar in een slijmerig kleed. Dan in volle opwinding wikkelen ze ook hun geslachtsorganen om elkaar en al draaiend in deze liefdevolle en uren durende omstrengeling wisselen ze hun spermatozoïden uit, om tenslotte uitgeput na zoveel  passie in het zachte bladerenbed op de grond te vallen.

Met deze gevoelige passage wil ik dit artikel afsluiten. Het is welletjes geweest. Ook al is het maar een kleine greep uit de vele variaties op een thema.  De rest laat ik aan jullie over.

 

 Referenties : 

 -  The Sexual Connection.  by John Sparks

    Dierlijke passie en paring . ISBN 90 274 8229 2
-  Het liefdesleven van enge beestjes.  Zoo Emmen  ISBN 90 71533 16 6

-  Life in the Undergrowth met David Attenborough.  (BBC serie)

Invertebratenwerkgroep Lampyris  heeft voor 14 februari 2008 een avondje rond het ongewerveld liefdesleven gepland. Iedereen is welkom. Details kan je vinden in de kalender 2008

 

 

 

Lipitorae Heliosis
 

Dagboek van een groenling.                Lipitorae Heliosis 

Hugo Verschelden  

Een zomerdag. De zon voelt zich lekker en hangt  uitdagend te blinken in de azuren hemel. Ik zit tussen de struiken langs de Scheldeboord  om de hitte, die zwaar op het land drukt, te ontvluchten. Alles doezelt in de trillende lucht, enkel een bazige meerkoet op de stroom ‘koet’ heftig om haar buur, een zachtaardig waterhoen, te verjagen. Wat verderop zwemmen enkele kuifeenden die gezellig samen de koelte onder water vinden. Tussen het riet, aan de oever van de slaperige stroom, zweeft een blauwe oeverlibel en keert zich in een oogwenk, om op het jaagpad neer te strijken, en daar met gespreide vleugels van haar zonnebad te genieten. Zo’n dier is toch wel ingenieus in elkaar geknutseld.  ‘ Wat een overweldigend gevoel moet dat geven als je zo kan vliegen’. mijmer ik.  Maar met een lijf zoals de natuur dat voor mij heeft voorzien, lukt dat natuurlijk nooit. 

Indien ik mezelf in elkaar kon knutselen dan zou ik me alvast om te beginnen een, of twee paar vleugels aanmeten. Misschien toch best twee paar, dan word ik zo wendbaar als die libel. Ja, zo’n stuntvlieger wil ik wel zijn.  Als ik mijn plan uitvoer, zal ik mezelf ook maar best in prachtige kleuren beschilderen, want mensen vinden zo’n kleurrijk wezen aaibaar en ontzien je dan als insect misschien toch wel een beetje. Vliegen en muggen hebben op dat vlak meer tegenslag. Al zijn ook die wezentjes even kunstig in elkaar gezet. 

Voor  de entomologen moet ik wel blijven uitkijken, want die willen je vangen en niets liever dan je determineren. Zij voelen immers een onweerstaanbare drang om alle beestjes een keurig etiketje op te plakken. Je krijgt dan als specimen wel een deftige Latijnse naam in twee delen,  maar zelf ben je daar niet veel mee als je de klassieke talen niet machtig bent. Gelukkig zijn deze onderzoekers vandaag ook iets milieubewuster geworden en prikken ze je niet zo gauw meer op een naald om je in een muffe kast bij honderden van je soortgenoten te laten uitdrogen.

Maar desalniettemin blijft het oppassen voor de mens. Zelfs de beeldige  vlinders zijn niet veilig voor sommige hebberige jager-verzamelaars die hen in een tipzakje  stoppen en hen als postzegels verhandelen. Als je weet hoeveel prachtexemplaren er zo in de musea zijn beland en nog belanden, word je triest. Te  mooi mag ik me dus nu ook weer niet maken. Als vlinder zit je bovendien opgescheept met al die  ontwikkelingsstadia en de lastige overgangen die erbij horen. De weg van ei,  naar rups, naar pop, om dan uiteindelijk pas een vlinder te worden is toch wel een hele lange en lastige omweg. Ook het feit dat je als ongewervelde uit je vel moet kruipen om te groeien, vind ik persoonlijk nogal luguber. Ik kies toch best voor een lichtgewicht ruggengraat zodat mijn huid mijn lichaam niet moet dragen, en rustig kan meegroeien. Neen, ik moet echt al die rompslomp van de ongewervelden vermijden. 

Nu denkt iedere ornitholoog wellicht, waarom maakt hij het zichzelf zo moeilijk en wordt hij niet gewoon een vogel. Bovendien is de vogel ook een dier dat wat hoger op de natuurlijke ladder neerstrijkt en zo op een langer leven kan neerkijken.  ‘Waarom wordt je bijvoorbeeld geen meeuw .’ hoor ik de vogelliefhebber zeggen. ‘Die kan bovendien ook nog zwemmen en wordt niet zoals een eend bejaagd,  omdat meeuwenvlees en spieren te taai voor de menselijke consumptie  uitvallen.’

Op het eerste gezicht volg ik die redenering wel, maar ik moet dan wel iets kunnen vastgrijpen, want met je bek alles opnemen, vind ik echt wel onhygiënisch.  Zo’n attribuut is ook niet praktisch als je nog wat anders wil dan eten.  En aan een of andere pikorde heb ikzelf nooit willen deelnemen. Anderzijds ben je met dat stel peddels aan je poten ook niet de handigste thuis. Neen ik wil minsten twee extra ledematen met grijpers. Een soort hand lijkt me toch onmisbaar.  Dat  grijporgaan op de vleugeltippen  aanbrengen,  zou ook nog kunnen, maar dan belemmeren die pluimen het zicht op hetgeen je doet. Dus ik trek nu mijn poten, twee paar vleugels en een stel armen met handen , lange vingers en duimen  aan. 

De pluimen gooi ik aan de kant. Ze zijn  me  te lastig. Zeker nu ik met de staart in de wind sta, vind ik het gênant. En het feit dat meeuwen telkens hun kop naar de wind moeten keren om wat comfortabel te rusten, lijkt me trouwens nogal riskant. Je weet immers maar nooit wie je benedenwinds en langs achter in stilte nadert en grijpt. Dus geen pluimen, maar iets rubberachtigs wordt het, zoals het vel van een zeehond met vleugels van het fijnste leder,  wat de vleermuis ook in huis heeft.  

Ik weet, beste lezer, dat ik stilaan op een nieuwe soort ‘Batman’ in het leder en  met zwemvliezen begin te lijken, maar wil me daar toch absoluut niet mee vereenzelvigen. En bovendien blijf ik volgens mijn eerste gedacht toch liever maar zo groot als een uit de kluiten gewassen insect. Dan wordt de wereld nog eens zo ruim en interessant. Met die beperkte afmetingen kan ik dan ten volle tussen mijn pas ontdekte lieverds, de insecten en andere kleine wezens, gaan leven.

Ik pomp nu mijn vleugels op en droog ze in de zon. Mijn vlucht kan beginnen. Ver weg over de heuvels vind ik wel een koel en veilig plekje waar de mens me niet vlug kan vinden en de natuur me hopelijk aanvaardt. Want een uiterst zeldzaam specimen ben ik ondertussen op deze hete zomerdag wel geworden. Een gretig gewild studieobject voor de natuurvorsers en de wetenschap. Een nog te ontdekken en uiterst zeldzame Lipitorae Heliosis (gewervelde) die met uitsterven wordt bedreigd. Althans voorlopig, want wie weet welke vriendinnen ik nog allemaal in die boeiende en nog onbekende dierenwereld ontmoet.                                                         

 


Vlinderen in de nacht.Dagboek van een groenling.

 

Vlinderen in de nacht.
Hugo Verschelden

Zoals je tegenwoordig her en der kan lezen, komen de nachtvlinders meer en meer onder de aandacht van de entomologen, en vermits ik me nu ook als beginnend ‘onderzoeker’ onder hen beweeg, word ik mee in deze nieuwe stroming met zijn verse uitdagingen opgenomen. Mijn nieuwsgierigheid naar alles wat er vliegt en kruipt is immers nog steeds niet geblust. Na enkele keren aan een nachtexcursie te hebben deelgenomen, wat ik iedereen aanraad,  werd ik dus ook door dit  vlindervirus gebeten.  

Toen ik zag dat heel wat soorten nachtvlinders de mooie Vlaamse Ardennen als habitat verkozen, vroeg ik me af welke diertjes er nog in mijn eigen tuin, midden in de polders van het Waasland, wilden wonen, in een streek die door de grootschalige landbouw met haar monocultuur wordt overwoekerd en waar monstermachines de resterende stukjes natuur in een hoekje drummen. Een kaal land waar de onderdrukte bomen en struiken in wat kleine bosjes moeten samen heulen. Om nog maar te zwijgen van de oprukkende havenindustrie die deze verschoppelingen en mijn dorp in een wurggreep neemt. Maar ik bleef positief en hoopte nog wat motten in mijn tuin te kunnen vinden..

Met de opgedane basiskennis en het nieuwe nachtvlinderboek met zijn duidelijke illustraties moet de determinatie van deze te weinig gekende maar prachtige nachtdieren, wel lukken, dacht ik. Al blijft het determineren toch nog een kunst waarbij goed observeren, geduldig zoeken en foutloos lezen essentieel zijn. Iets waar ik niet steeds in slaag.  Maar kom geen gezeur, aan de slag, we zien wel.

Om te beginnen diende ik voor een nachtvlinderval te zorgen. Vermits ik echter nooit  een handige Jacob ben geweest, moest ik het eenvoudig houden. Nu zit het toeval soms geheel onverwacht naast me en vindt mijn zwager in de plaatselijke kringloopwinkel toch wel een kwikdamplamp voor slechts twee euro en ook dat lege appelsienkistje lag thuis zowaar klaar om als lampendrager te dienen. Met nog een wit laken uit de kast zag ik de vlindertjes al naar me toe komen. Neem dan nog wat eierendoosjes, doorzichtige potjes, een vergrootglas, papier en potlood en je kan zo aan de vlinderslag.  

De plek op het gras naast mijn tuinhuis, omgeven met bomen en struiken, leek me wel geschikt. Het was er vrij warm en de wind kwam er niet tot beneden doch ritselde op die rustige avond wat speels door de boomkruinen. In deze luwte moest het lukken. Indien ik vlinder was, dan zou ik beslist hier mijn gading vinden. Met deze positieve gedachte spreidde ik het witte laken op het gras en midden daarop parkeerde ik mijn appelsienkistje met lamp. Het tuinhuis waar ik voldoende neonlicht had om de beestjes in detail te kunnen onderzoeken, werd mijn veldlaboratorium. Bij het invallen van de duisternis was ik dus klaar voor mijn exploratie.  

Het donkerde vrij vlug, maar er viel geen vlinder bij het laken te bespeuren. Na een tijdje begon ik aan mijn lamp te twijfelen, al gaf ze ruimschoots licht en voldeed ze aan het boekje. In en bij het tuinhuis kwam daarentegen wel beweging en langs het vensterglas fladderden wat motjes. Kleine beestjes die blijkbaar neonlicht boven kwikdamplicht verkozen. ‘Jullie moeten hier niet komen! Vlieg naar de lamp op het gazon!‘ mompelde ik. Hun komst echter was toch al een begin en ik bestudeerde de beschikbare wezentjes, waarvan er ondertussen meerdere op de ruit neerstreken, dan ook aandachtig. Ik zocht hun beeld en gelijkenis in mijn vlinderboek, maar vond niets. De motjes met verlengde snoet leken op snuituilen maar waren daarvoor te slank en ook de kleuren klopten niet. Gespannen bladerde ik van voor naar achter en terug door de gids maar niets voldeed.  

Enigszins geërgerd om mijn onkunde stapte ik naar buiten om wat anders te determineren maar het laken bleef vlinderloos. Het werd wel massaal ingenomen door klein vliegend grut dat me gestolen kon worden. Terug binnen opende ik opnieuw mijn boek en precies op de pagina, daar net voor mijn neus, zag ik wat ik zocht. Ik had het kunnen weten! Daar tussen de weinige microvlinders die in het boek zijn opgenomen, want daarvoor is de gids niet bedoeld,  stond mijn allereerste vondst van de avond,  een ‘Koloniemot’ (Aphomia sociella).  Dat microbeestje, waarvan er ondertussen een hele kolonie in het tuinhuis zaten, moet me geluk hebben gebracht  want er kwamen nu toch motten rond de kwikdamplamp cirkelen en op het laken neerstrijken. En de vlinders van de nacht bleven nu maar komen.  

Nerveus drentelde ik met mijn recipiënten rond het laken. Gejaagd maar toch voorzichtig, trachtte ik mijn fladderende vangst in de potjes te krijgen. Al vlug waren al mijn potjes bezet en er kwamen nog steeds maar nieuwe soorten aangevlogen. Ik dankte de goden maar zat wel verlegen met de overvloed. Gehaast liep ik naar binnen om met de determinatie te beginnen. Een paar soorten kende ik nog van de voorbije excursies, dat ging dus vlot, maar de meeste beestjes kon ik niet onmiddellijk op naam brengen. Ondertussen zat mijn laken vol. Het krioelde en wriemelde daar dat het een lieve lust was. Het leek wel een discotent voor motten en ander gevleugelde. Ik mocht geen tijd verliezen. Al bleven de dansers wellicht nog een tijdje op de dansvloer rondhangen, ik wou er niet een laten vertrekken en allen netjes registreren. Het genot van het ontdekken en de drang tot klasseren van de natuurvorser zit, zoals je merkt beste lezer, ondertussen al diep in mijn vezels. 

Vermits ik geen knappe assistente naast me had, zat er niets anders op dan mijn fototoestel erbij te halen. De potjes dienden hiertoe wel geopend om een deftige foto te nemen en met maar een paar handen en het weinige licht in het tuinhuis werd dat een hele opdracht. Sommige vlinders bleven rustig, maar andere flapperden gejaagd met hun vleugels, waardoor ze met moeite met de lens te vatten waren. Nam je echter de tijd en liet je deze schepselen een tijdje van hun schrik bekomen, dan lukte het behoorlijk. Eens ze stil zaten, bleven ze zitten. Wellicht rekenden de diertjes dan maar op hun schutskleuren en hun onbeweeglijkheid om te overleven. Al gauw kreeg ik enige routine in mijn handelingen en kon ik de opnameknop van mijn toestel herhaaldelijk indrukken. Zeker met een digitaaltje komt het niet op een foto en ik fotografeerde mijn welgekomen gasten dan ook uit verschillende hoeken om achteraf zoveel mogelijk determinatiemateriaal bij de hand te hebben. Want van zodra de diertjes terug werden vrijgelaten, moest ik het daarmee stellen. 

Het gebrek aan recipiënten bleef echter een probleem. Ik diende mijn vangst telkens weer op een plaats vrij te laten waar ze niet door het lamplicht werden verleid. Dat verhoogde de druk op mijn activiteiten, want intussen ging het feest maar door. Ik holde over het gras heen en weer van lamp naar tuinhuis, naar losplaats om opnieuw bij de lamp uit te komen. Hierbij diende ik er zorgvuldig op te letten om in het gras geen vlinders dood te trappen die daar ook naast het laken tussen de sprieten de veilige donkerte opzochten. De eierendoosjes die ik voor hen losjes op het laken had gezet, deden trouwens wel hun werk en menig vlindertje bleef daar rustig onder wachten tot het voor een pasfoto werd meegenomen. Tot drie uur in de nacht drentelde ik als in een droom rond de lamp en tussen mijn nachtvlinders. Ik betrad alweer een ander universum en vergat nogmaals even de mensheid.  

Niet alle vlinders kon ik determineren, maar mijn foto’s tonen 38 verschillende soorten. Wat volgens mij, voor onze streek toch wel een onverwacht klein succes mag worden genoemd. Op een volgende determinatieavond van de invertebratenwerkgroep Lampyris zullen de naamlozen wellicht alsnog een naam krijgen, want zo wensen entomologen en andere natuurvorsers dat.

 


Beestjes! Overal beestjes!                                              

Dagboek van een groenling.

Beestjes! Overal beestjes!                                              

Hugo Verschelden /  IWG Lampyris 

Het is met enige schaamte op de wangen dat ik dit artikel schrijf. Maar ik moet jullie iets bekennen. Ik ben wel lid van de invertebratenwerkgroep ‘Lampyris’, maar ik heb  schrik van de beestjes met hun akelig uiterlijk welke ze bestuderen. Als ik bijvoorbeeld denk aan de spinnen, die monstertjes op acht harige  poten, met lange giftanden en hun zes of acht ogen, dan lopen de rillingen me over de rug. Arachnofobie noemen de geleerden dat. Alleen het woord al zou je de stuipen op het lijf jagen. En dan zijn er nog miljoenen andere lelijkerds met venijnige uitsteeksels, tanden, doornen, pieken, kammen, dolken, scharen, messen en vorken die rond je  kruipen of je vanuit duistere hoekjes beloeren. Deze kleine monstertjes kunnen als geen andere, rennen, springen, plots opduiken en schichtig wegschieten. Overal zitten ze, tot in de nauwste spleetjes. Beestjes, overal beestjes. Je hoeft er zelfs niet dronken voor te zijn.  

Wij mensen zijn de uitverkoren prooi voor deze onverlaten. Muggen, teken, dazen, luizen, vlooien ,steekvliegen, knitvliegen en vele andere hebben het op ons gemunt.  Dat luizige ongedierte zuigt, bijt, sabbelt, knabbelt, steekt, prikt,spuugt,boort, spuit gif.  Ze bezorgen ons jeuk, brand, kriebels, allergie, fobieën, koorts. Om nog maar te zwijgen van de erge ziekten die ze veroorzaken waarbij sommige onverlaten zelfs hun nakomelingen in je lijf pompen. Wormen die je van binnenuit opvreten, met veel pijn en ellende tot een bevrijdend slot, de dood,  je verlossing brengt. ‘Ze zouden al die vreselijk monsters moeten vernietigen.’hoor ik je nu ook denken. ‘Waarom zou een gezonde man zich nu met dergelijk gespuis gaan bezig houden?  Temeer daar hij er schrik voor heeft !’  

Misschien denk je na bovenstaande wel dat ik ooit eens ernstig ben gebeten en naderhand gek ben geworden, om me bij een vereniging die zich met dergelijke gedrochten bezig houdt, aan te sluiten. Een obscuur clubje waar de leden deze vreselijke schepsels ter harte nemen en als wilde orchideeën koesteren. Van die grimmige figuren welke spinnen, kakkerlakken, pissebedden en ander ‘gekruip’ als huisgenoot nemen. Mannen en vrouwen die in hun huis zonder verpinken al dat gespuis over zich laten kruipen en het over de rug aaien. Die een snik en traan laten als hun lieveling per ongeluk onder hun voet wordt platgedrukt. Je moet met dus wel voor gek verklaren om bij een dergelijk clubje aan te sluiten. Misschien noem je me wel een masochist, een vent die zijn vrees en pijn koestert. Iemand die zich gewild in zijn eigen ongeluk stort en als hij niet bij een psychiater wordt gebracht, voorgoed voor de gezonde maatschappij verloren is.  

Ik begrijp, beste lezer, dat mijn gedrag je op zijn minst ‘eigenaardig’ overkomt. Maar we mogen het nu ook weer niet gaan overdrijven. Ik heb enerzijds wel schrik van die diertjes, maar anderzijds prikkelen ze mijn nieuwsgierigheid. Ik wil het onbekende immers onderzoeken en leren kennen. Een natuurlijke drang bij de mens schijnt het. Van zodra iets onbekends bekend wordt, mindert ook de vrees. (‘Hondje bijt niet, ik zeg dat het niet bijt.’zei vader.)  Dus met die gedachte nam ik een tijd geleden de beslissing, en zoals je ondertussen uit mijn vorige schrijfsels wel weet, ben ik dan toch in de wereld van de invertebraten gestapt.  Al wil ik nu toegeven dat die stap aanvankelijk wel onzeker was. 

De paar jaren die ondertussen zijn verstreken sinds ik me bij de invertebratenwerkgroep aansloot, hebben mijn houding wel gewijzigd.  Ik heb de vrees voor de insecten nu enigszins onder controle gekregen. Het is nu een gezonde vrees geworden. Nu ga ik nog niet direct de spinnen met de vingers van de muur plukken, maar als iemand ze me op de hand zet, het mag zelfs een harige vogelspin zijn, dan verlies ik mijn adem niet meer en blijven mijn knieën rustig. ‘Als anderen, zelfs de kinderen de beestjes onbevreesd kunnen benaderen dan moet ik dat ook kunnen.’ dacht ik en het lukt me nu warempel ook nog. 

Ondertussen leerde ik ook van de kenners in onze werkgroep dat vele invertebraten ons niet kunnen bijten of steken. Dit omdat ze de juiste attributen missen of omdat ons vel (lees huid) gewoon toch te dik is. Een hele geruststelling is dat. Ook het feit dat  de meeste insecten ons niet als prooi beschouwen is bemoedigend vind ik. Vele beestjes weten zelfs niet dat we er zijn. We betekenen dan ook niets voor hen en behoren tot het landschap waarin ze zich bewegen. Je moet hen al pijn doen voor ze reageren en een hap uit je grote lijf nemen. Voelen ze dan toch onze aanwezigheid dan vluchten ze bevreesd en spoorslags van ons weg. Het zijn zij  immers die hun hachje kunnen verliezen en roemloos onder de klappen of in de stofzuiger kunnen sterven. 

‘Maar ze zijn zo lelijk en vies, die beestjes’ zeg je dan. Ook dat beeld verdwijnt als je een tijdje tussen hen leeft. Ook hun afzichtelijk lijf went immers. Zoals je dat kon ervaren tijdens de film ET, dat lelijke monstertje uit de ruimte dat ons aan het eind van de film met een beminnelijke gedachte achterliet.  Al bij al zijn insecten boeiend om naar te kijken. Ze zitten werkelijk ingenieus in elkaar. Elk onderdeeltje heeft zich aan de omgeving en volgens noodzaak aan het leven aangepast. Perfecte machientjes zijn het geworden. 
Bovendien zijn ze zo nuttig dat de mens hier op aarde niet zou bestaan indien zij er niet waren. We kunnen echt niet zonder hen. Ze behoren tot de levensketen, ze bevruchten, ze ruimen en zijn het voedsel voor velen. Binnenkort staan ze ook op ons menu en dat van onze nakomelingen. Maar dat wordt een ander verhaal. 

Mijn vrees voor de ‘vieze beestjes’ is dus onder controle en ook de kenners en de andere luitjes van de werkgroep hebben in mijn ogen menselijke trekken gekregen. Al blijven zij toch ook bijzondere exemplaren die ik graag in mijn vriendencollectie heb opgenomen. Je hoeft dus helemaal niet bang te zijn om erbij te komen. We zullen echt niet bijten, prikken, steken … . 


 

Toen hier op aarde, de hemel nog bestond        (Een verre herinnering.)
                                                                                                           hugo verschelden

 

‘Ik wil Mizar wel zijn’  zei ik tegen vader.

Vader en ik lagen languit op een deken in het gras onder de sterrenhemel. De zwoele zomerdag koelde langzaam, nu de nacht intrad.  De merel in de boom naast ons huis had al een tijdje zijn dwarsfluit opgeborgen en zat daar wellicht met gesloten ogen weggedoken tussen het gebladerde. Enkel wat luidruchtige krekels  roerden de stilte nog , tot ook zij begrepen dat nog langer tsjirpen verloren moeite was. De hele natuur om ons heen lag nu te slapen.  Als oudste kind van het gezin,een jongetje van een jaar of zeven, mocht ik van vader uitzonderlijk lang opblijven. Tijdens het avondeten had hij mij die belofte gedaan. Hij zou me wat vertellen en na mijn blik  met moeder te hebben gewisseld , knikte die ook instemmend.  Ik voelde me opgeladen en was benieuwd naar wat er komen ging. 
 
Nu we daar in het duister naast elkaar op onze rug lagen en onze ogen de donkerte  hadden aanvaard, knipoogden de sterren vrolijk uit alle hoeken van de hemel. Het was toen veel donkerder dan nu in de tuin en je kon er bijna tot in de oneindigheid kijken. Aan de toon waarop vader me vertelde hoe groot de ruimte wel was en hoe klein wij mensen wel waren, besefte ik dat hij daar zelf verwonderd over bleek te zijn. Met open mond en met twee gestrekte oren luisterde ik naar zijn stem die blijkbaar tegen niets meer botste en als het ware in de ruimte oploste. Ik hield me stil en schoof toch wat dichter bij.

                                                          
‘Dat daar is de poolster’ zei vader ‘de grote beer toont  je de weg.’  Ik begreep het niet, zag helemaal geen beer, laat staan een ‘Poolster !’.  Tussen de veelheid van sterren ontwaarde ik hoogstens iets wat op een  nogal simpele koekenpan leek. Vader sprong ondertussen reeds verder van ster naar ster, als huppelde hij van steen naar steen in een grote rivier. Hij kende de weg daar blijkbaar op zijn duimpje. Toen hij begreep dat ik hem niet meer volgde, wachtte hij en begon geduldig van te voren. Aandachtig  en toch wel wat gespannen volgde ik hem  tot we samen bij de Poolster uitkwamen.  Een beetje ontgoocheld, maar ook wel tevreden bekeek ik  dat  fletse sterretje dat daar wat eenzaam en verlegen aan het firmament stond.  Maar hoe onbeduidend dat sterretje op het eerste zicht ook  leek, het droeg  toch wel een grote verantwoordelijkheid. Het bleek immers de naaf van de sterrenhemel te zijn, de navel waar alle andere sterren gedwee rond draaien. En die zwakke ster bleek bovendien nog wel de ster van waaruit  onze lange sterrentocht begon.

Eens we op weg waren, wist vader niet van ophouden. Hij bleef maar vertellen. Z
ijn warmdiepe  stem omarmde me in het donker en voerde me mee in een wonderlijke wereld van de sterren en hun helden.  De oude verhalen die hij erbij vertelde , prikkelden mijn kinderlijke fantasie. Vooral bij het verhaal van de grote beer en van de ster Mizar met haar kind Alcor, droomde ik weg.  Ik  bleef maar kijken naar dat  kleine sterretje dat de indianen zochten om hun ogen te testen.  Dat 'ruiterje' daar hoog gezeten op de staart van de beer, wilde ik zelf  wel zijn.  Dan kon ik als kind samen met mijn grote beer tussen de sterren reizen. 

‘Ik wil Mizar wel zijn ‘ zei ik tegen vader, terwijl mijn ogen dicht vielen en ik verder in slaap gleed.  Moe als ik was verwisselde ik toen echter de namen van de moeder en haar kind. Vandaar dat mijn pseudoniem en talisman toen niet Alcor, maar wel Mizar geworden is.   En  de ster Mizar, daar hoog in het noorden, volgt me nog steeds als een goede moeder op de zwerftocht die het leven toch is.
 

Nota :

‘Jaren keek ik naar onze sterrenhemel tot ik op een dag mijn kin liet zakken en, spijtig  toch een beetje laat, onze unieke natuur ontdekte.  Moest jij, die al lang met de natuur leeft,  het nog niet gedaan hebben, hef dan toch even de kin op en geniet zoals ik ook  van de wondermooie nachtelijke hemel.’  

mizar

 


De wereld der traagheid.

 

Ik noteer 12 oktober 2009 in mijn invertebratendagboek. Precies op die dag, en dus net 517 jaar nadat Colombus  Amerika ontdekte, ontdek ook ik een nieuwe wereld. Nu moet ik wel onmiddellijk toegeven dat ik die ontdekking niet in mijn eentje deed. Onze ploeg nam op de geplande exploratie een specialist onderzoeker mee aan boord. Die kenner van de Gastropoda begeleidde ons naar de wereld van de slakken. Terwijl ik voor het vertrek mijn laarzen aantrok dacht ik toch al enige ervaring met slakken te hebben. Zoals menig tuinier droeg ik deze dieren echter geen warm hart toe. De dekselse wezens aten zich immers al decennia dik en vet aan de jonge plantjes in mijn moestuin. Zeker bij vochtig weer komen die onverlaten langs op hun plundertochten. Je hoeft dan niet lang zoeken om ze vretend op je tere plantjes te vinden. Appetijtelijk zijn die ongenode gasten al evenmin. Je kent ze ook wel, de grote vette wegslak die volgens een oud recept toch ook wel eens in de hoestsiroop schijnt te belanden (bah), de vieze tijgerslakken die voor je ogen, hangend aan een slijmdraad, de liefde bedrijven en er zijn nog meer ‘slijmerds’  waarvan je maag gaat keren als je ze op je tuinpad ontdekt. Doch, niettegenstaande mijn antipathie ging ik toch maar mee op slakkentocht, niet vermoedend dat ik zo in de mij ongekende wereld der traagheid ging belanden, een plaats waar de bewoners nooit haast hebben en ‘stressless’ rondscharrelen.

 

De naaktslakken stonden die bewuste herfstdag niet op onze zoekkaart. We zochten de andere tak van de slakkenfamilie, dieren die als reus Atlas hun thuis op de schouders dragen; de huisjesslakken dus. Beestjes waarvoor de mens toch wat meer affectie voelt en waarvan sommige soorten bij vele culturen ook in huis welkom zijn. Zij het dan vooral op het bord. Elke gourmet weet de escargots immers wel te appreciëren. En eerlijk toegegeven, ik lust ze ook en moet bovendien bekennen, en dit schrijf ik niet om hier de vegetariër voor het hoofd te stoten, dat ik mijn lippen en vingers lik terwijl ik ze zwemmend in de lookboter met een snede vers brood oppeuzel. Maar kom, we wijken af!

 

Nu kent iedereen wel de wijngaardslak, maar deze slak kruipt aan de grens van de slakkenwereld, ze is groot en duidelijk voor iedereen zichtbaar. Het land dat we betraden lag dieper in het schemerduister, laag bij de grond en werd bewoond met Lilliputters. Een voor mij ongekend leven bewoog zich daar tussen de sprieten, het strooisel en de wortels. Zij het dan een minuscuul leven en met een slakkengangetje. Ik die dacht dat slakken in volwassen toestand toch redelijk groot waren en als zodanig zonder probleem met de vingers van de slaplantjes konden worden geplukt, bewoog me nu in een soort microkosmos. Onder en tussen de begroeiing ontmoette ik dieren die hooguit een paar millimeter groot waren. Een dwergslakje dat onze specialist uit het veld ‘plukte’, zou ik in de veldgids als ‘bijna onzichtbaar’ durven te omschrijven. Zelf kon ik dat ‘Speldenkopje’ trouwens niet vinden want met het blote oog zag ik het amper, ook al lag het diertje open en bloot op de hand van de vinder. ‘Zo’n klein grut met een huisje op de schouders, dat bestaat toch niet.‘ dacht ik verwonderd op de rand van het ongeloof.

Maar het bestaat wel degelijk en het leeft daar inderdaad beneden tussen de stengels en wortels, in een wereld die meestal aan ons oog onttrokken blijft. Daar je deze diertjes op verschillende plekjes ter grootte van een zakdoek vindt, moeten ze wel met ontelbaar velen zijn! Bij die vaststelling besef je dat de slakken op onze planeet best hun mannetje kunnen staan. Temeer daar ze volgens de wetenschap al miljoenen jaren in die gedaante over de aarde blijken te kruipen. Al is het woord ‘mannetje’ hier niet echt op zijn plaats want slakken zijn immers hermafrodiet, tweeslachtig dus, en zij weten dit zelf ook wel.

 

Op die bewuste herfstdag (12 oktober 2009) bezochten we hen dus voor het eerst in hun drassige habitat, want van vocht houden ze wel. Met het hoofd dicht bij de grond kroop ik samen met de anderen door het ruige natte gras om hen te vinden. Van op een afstand moeten wij toen wel op een grazende kudde hebben geleken. En onder ons gezegd, toen ik daar met de anderen op de knieën rondkroop, verbeeldde ik me zowaar een familie gorilla’s die in het lange gras haar kostje bijeen scharrelt. Maar mijn fantasie ging alweer wat ver, waarvoor ik me verontschuldig bij mijn soortgenoten. Terwijl onze vingers dus in de ruigte de grashalmen vlooiden, gleden onze ogen centimeter per centimeter over de grassprieten, zoekend naar die speldenkopjes. Vooral het blijkbaar zeldzame Zeggekorfslakje trof onze gedachten. In de kleine stukjes van amper een paar vierkante decimeter die we minutieus uitkamden, vonden we ze. Kleine glanzende wezentjes die je niet zomaar kon vastnemen maar als een snotbolletje aan de vingers kleefden.

 

Heel de operatie leek ook wel een ogentest, want het gebeurde meermaals dat je in plaats van een slakje een zaadje onder de loep te zien kreeg. Je weet dus snel in welke mate je ogen nog functioneren. De horlogemakers onder ons waren duidelijk in het voordeel. Ook ons geduld werd degelijk op de proef gesteld. Mijn eigen speurwerk en het resultaat waren wat teleurstellend. Niet dat ik er geen zin in had, maar tijdens het grasvlooien troebelden mijn vermoeide ogen achter mijn brilglazen, mijn maag lag dubbel in een ongemakkelijke houding en mijn ledematen kraakten telkens ik weer wilde opstaan. De vrouwen onder ons bleken duidelijk in het voordeel. Geduld siert hen. Ikzelf kwam al vlug op achterstand en nam dan maar de vrijheid en ruim de tijd om de vangst van de anderen te bewonderen. Bij het bekijken van de diertjes stelde ik vast dat ook de slakken, zoals de andere wezens trouwens, in een ruime diversiteit werden geschapen. Al zijn de verschillen tussen bepaalde soorten toch wel minimaal te noemen. Het kan trouwens ook moeilijk anders als je met Lilliputtertjes te maken krijgt, want met hen zit je wel in een andere dimensie. Het correct determineren van deze diersoort wordt dus voor ons, beginners, nog een hele klus. Maar bedenk beste lezer, het waren ook nog maar onze eerste schuifelende stappen in de wereld der traagheid.

 

 


De krekel en de mier.        ( Een zuiderse herinnering op een koude winteravond.)

                                                                                                           

Op een zomerse dag zit ik aan de kant van een aarden landweg in Noord Italië, mijn boterhammen op te eten. En terwijl ik een slok rode wijn in mijn mond neem, kruipt daar een paar meter voor mijn voeten een takje. Nu heb ik sinds ik bij de invertebratenwerkgroep  ben al meer wandelende takken op mijn pad ontmoet, maar dit exemplaar had toch wel een heel speciale manier om zich te verplaatsen. Het gooide namelijk zijn kontje in de lucht en leek als een ballerina op haar tenen te dansen. Al was het diertje van Italiaanse origine, toch vond ik  het wat té beweeglijk om aan de specificatie van een wandelende tak te voldoen.

Ik nam dus nog een slok van mijn wijn, plantte de fles in het zand  en al was ik wat loom, uit nieuwsgierigheid kroop ik recht om te zien wat daar aan de hand was. ‘ Ha ja natuurlijk ! Een mier aan het werk. ‘ zei ik  ‘En dat in volle zon meisje! Je moet karakter hebben.‘ Vergeleken met mijn gestalte sleurde dat  kleine ding zowaar een boom met zich mee. Met een strootje van geschat vier centimeter ploeterde zij door het mulle zand waarbij haar zware last van links naar rechts slingerde. Ik had er nog nooit echt bij stilgestaan dat een mier dergelijk grote stukken in haar eentje kon dragen. Al had ik wel in documentaires parasolmieren in het regenwoud aan het werk gezien, toch realiseerde ik me toen pas dat onze Europese mieren ook sterk zijn. ‘We lopen aan zoveel voorbij.’ dacht ik nog, ging weer in de berm zitten en nam een beet van mijnen boterham. Ondertussen wiebelde het takje voor mijn voeten nog steeds heen en weer.

 

Terwijl ik daar zo lekker lui van mijn picknick met Parmaham en wijn genoot, was die arme mier nog steeds druk in de weer op het hete zand in de middagzon. Ik vroeg me af hoe lang die lijdensweg nog zou duren voor ze thuis kwam. Dat wou ik nu wel eens weten, nam nog een laatste slok van de wijn, poetste mijn tanden met een tandenstoker, rekte me en stond opnieuw recht om uit het lommer te komen en haar te volgen. Ik keek wat rond, maar kon niet direct een nest vinden en er waren in de omgeving van de mier ook geen andere mieren die me enige aanwijzing konden verschaffen. Hoe kon mijn naarstige vriendin in hemelsnaam haar weg vinden in die dorre zandwoestijn, die het voor haar kleine gestalte wel moest zijn. Bij een tak gekomen, zat onze werkster blijkbaar toch in de problemen. Haar last werd voor haar klein verstand nu toch letterlijk een probleem. ‘Voorbij zo’n hindernis geraakt ze niet.’ dacht ik benieuwd om te zien hoe ze dat zou aanpakken. Het dier wrong zich werkelijk in alle mogelijke bochten,probeerde verschillende standjes  en wou kost wat kost over de tak heen. Nu zou je denken dat zij voor het gemak rond het obstakel zou lopen. Maar mis hoor!  Na heel wat te vergeefse pogingen, om er eigenlijk de moed bij te verliezen, keerde ze zich om en achteruit lukte het haar tenslotte.  Ik beeldde me in dat ze opgelucht zuchtte nu ze het gehaald had.

 

Ondertussen had ik mijn doosje tandenstokers genomen en prikte telkens een tandenstoker langs het pad waar ze liep. Zo doende kon ik het afgelegde parcours volgen. Nu denk je wellicht dat ze de kortste weg naar het nest nam, maar niets daarvan. Haar weg kronkelde als een wild meanderende rivier bezaaid me obstakels. ‘Weinig efficiënt is een mier toch.’ dacht ik zo. Ze volgde blijkbaar een onzichtbaar spoor waarvan ze absoluut niet wou afwijken. Mogelijk had ze geurmarkeringen op de heenweg aangebracht en was dit de enig gekende route terug. Dat veronderstelde ik tenminste en kwam zo op een iet wat controversieel te noemen idee.

 

In het kader van mijn onderzoek, want ik voelde me ondertussen toch een vorser, vond ik het toch wel verantwoord om de proef op de som te nemen, dus begon ik voor de neus van de mier het zand om te woelen. Ik moet toegeven het was met enige wroeging in het hart. Het dier bleek hierdoor wel in de war te geraken en liep nu zigzaggend over het geschonden terrein. Hoe dan ook, ze gaf het geenszins op. Ook ik bleef toezien, al schroeide de zon nu ook mijn kalende hoofd. Maar in naam van de wetenschap wil ik veel verwerken. En ook de mier overleefde gelukkig deze hindernis.  Ik bewonderde haar om haar uithoudingsvermogen. Je zou voor minder aan de kant gaan zitten om  verder van het lommer te genieten. Maar niets daar van ! Onze vermoeiende tocht ging verder.

 

Toen we blijkbaar dichter bij huis kwamen, kwam er een zustermier langs. Die bleek echter niet hulpvaardig, maar beperkte zich tot wat besnuffelen en betasten van onze werkster, waarna zij haar eigen weg vervolgde. Nu begint het hier toch wat langdradig te worden en ik wil jullie lezers niet vervelen met alle verdere details van onze uitputtende tocht, maar uiteindelijk na een lang verhaal kwamen we met z’n twee bij het nest. Een gat in de hoge berm, waar een drukte heerste dat je ogen er moe van werden. Rond de nestopening, die in de steile kant was gegraven, lag een berg strootjes en onze moedige vriendin legde er het hare bij, waarna ze vlug zonder haar last het nest in liep. Niemand kwam om haar te verwelkomen en te bedanken voor de geleverde arbeid.  Hopelijk werd zij daar binnen beloond met een heerlijk maal, want dat had ze na zo’n tocht toch wel verdiend. Haar collega mieren hebben later met veel omhaal, haar last naar binnen gesleept.

 

Toen ik daar stond en omkeek was het hele parcours te overzien. Het leek wel een slalompiste met poortjes. Voetje voor voetje heb ik de weg van de mier afgepast en ik kwam tot een lengte van om en bij de vijftien meter. Als je dan bedenkt dat ons beestje al onderweg was voor ze voor mijn voeten kwam lopen, dan wil ik voor haar toch mijn hoed afzetten en nog wel eens een deuntje op mijn blokfluit voor haar spelen. Als mijn reuma dat tenminste toelaat in dit land met zijn koude en natte winters. ‘Was ik maar in het zonnige zuiden gebleven !   Tsjierp.’

 

(Naar Jean de La Fontaine's fabel van de krekel en de mier.)

 


    

De natuur-paparazzi.

 

Op een dag sta ik met mijn fototoestel tussen andere natuurliefhebbers te drummen om een vuursalamander te fotograferen. Terwijl we daar met onze camera’s rond het beestje staan, gaan mijn gedachten terug naar het verleden. En in de drukte stel ik vast dat mijn houding ten opzichte van de dieren en de natuur met de jaren toch grondig is gewijzigd.

 

Jaren geleden stopte ik  een salamander in een bakje met water en wat groen om naar te kijken.  Waarbij  het beestje na een tijdje, uit pure ellende, toch weer dood ging.  Zo zag ik ook mijn wilde konijntjes en mijn wilde eendjes in gevangenschap sterven. Je liet als kind dan wel eens een traan,  maar je voelde je toch niet schuldig. Zoals vader zich niet schuldig voelde toen hij als een geslepen stroper, met afgemeten precisie, zijn stroppen zette.  Die gemene dingen stonden op het veld achter de boomgaard en als oudste zoon werd ik er regelmatig op uit gestuurd om ze onopvallend te gaan inspecteren. Ik moest dan zogezegd wat onschuldig over het veld lopen en  zien of er geen konijnen gestrikt zaten. Lag er eentje dood,  dan diende ik er nonchalant fluitend van weg te lopen.  Terwijl ik daar over het veld liep, keek onze pa uit om te zien of er  in de buurt geen menselijke beweging was. Wat later, als vader  geen onraad meer rook, ging hij de vangst dan zelf ophalen.  Heel dit geheimzinnig gedoe was bedoeld als rookgordijn om te voorkomen dat hij door de veldwachter of de jachtwachter betrapt zou worden. Hij ving immers het gerucht dat de beide ambtenaren hem nauwlettend in de gaten hielden. De jachtwachter had immers  in  het dorpscafé, dat de man  bijna dagelijks bezocht, zijn mond voorbij gepraat.  En elk dorp kende toen nog de wegen van de babbels en roddels.  Vader en de jachtwachter, die nog geen honderd meter verderop in de straat woonde,  bleven echter  beiden ‘van krommen haas’ gebaren. Als ze elkaar tegen het lijf liepen, wat omzeggens dagelijks gebeurde, bleven ze elkaar dan ook even gemoedelijk begroetten en een praatje maken .  Alsof er geen vuiltje op de akkers groeide.   

 

Als ik nu aan de man terugdenk, zie ik nog steeds die winteravond waarop ik de dieren en de natuur anders begon te bezien.  Ik moest die avond vader  helpen om twee konijntjes vanonder een net te halen. Een net dat hij in de sneeuw over wat keukenafval had gezet en dat hij met een ruk aan een touw kon laten neerslaan. Hij diende daartoe zelfs zijn zetel , die in de warme woonkamer stond, niet uit. Meestal zat er maar één konijn onder het net zodat hij dat in een wip wist te pakken, om het met één krachtige slag achter de oren dood te slaan. Waarna hij vlug met het dier in de kelder verdween om het later te stropen.  Als kind zag ik dat alles zonder vrees of walging gebeuren. We waren de dood gewoon. Als er ganzen geslacht werden, hield ik ze vast  terwijl vader er de kop afhakte. Met die afgehakte koppen speelden we trouwens ‘gansje’, waarbij ik mijn broer, kwakend met de ganzenkop, achtervolgde. Neen, de dood hoorde bij ons bestaan. Over het leed van het dier dacht ik toen nog niet na.  Bijna niemand trouwens.  Een beest was maar een beest. De hond van de buren lag heel zijn leven in een hok aan een korte ketting.  Zelf een neger was maar een zwarte.

 

Op die koude winteravond, ik moet tien of elf jaar zijn geweest,  zaten er dus twee konijnen onder het net gevangen. En vader trok me mee onder de heldere maan, door de krakende sneeuw, de vriesnacht in .Hij zou me een konijn aangeven terwijl hij het tweede vanonder het net griste. Ik was gespannen maar had hoegenaamd geen afkeer voor wat er gebeuren ging.  Die afkeer kwam pas toen hij me het eerste konijn in de handen stak.  In zijn nervositeit, omdat hij beide konijnen wilde,  was zijn slag achter de oren  niet krachtig genoeg. zodat het beestje dat hij met haastig toestopte, huilde als een kind. Het aanhoudende geschreeuw dat door merg en been ging, verbrak de winterse stilte, rolde over de velden de nacht in, en kwam zeker tot bij het huisje van de jachtwachter.  Ik stokte, terwijl vader, uit vrees dat de jachtwachter het zou horen, me toeschreeuwde om het dier snel dood te slaan. Ik kon het echter niet over mijn hart krijgen en tegelijk brak er iets in me.  Dieren leden plots ook pijn. Al wist ik dat van vroeger wel , maar nu drong het diep tot in me door.  Ik kwam tot het besef dat we ergens fout zaten.  Al verwijt ik nu mijn vader niet, omdat die voor zijn gezin zorgde. We hadden het thuis immers niet te breed en een extra stukje vlees, in een gezin met vier kinderen, was zeker welkom.  Bovendien vond vader dat wij het vlees beter konden gebruiken dan ‘de rijke stinkerds uit de stad’ die voor hun plezier van het schieten (en het doden) op óns wild kwamen jagen. Wild dat trouwens toch ook aan ónze spruiten zat.

 

Anderzijds had hij geen bezwaar tegen de vogelvangers die met hun slagnetten vogels kwamen vangen.  Moeder vond die beestjes ‘eten voor de arme mensen’.  Vandaar dat er , met uitzondering van een  kip, een duif ,een eend of een gans , geen vogeltje op onze tafel kwam.  Bij de buren was dat niet zo. ‘De natuur was er voor de mens en zijn hongerige buik’, vonden ze daar. Zij aten alles wat poten en  vleugels  had. Mussen, merels, lijsters, spreeuwen en noem maar op.  Ik proefde bij hen wel eens een stukje en vond het vlees  ook wel  lekker.  Toch bleef het bij die ene keer en toen wist ik ook nog niet hoe gruwelijk die vogeltjes werden afgemaakt.   

 

Later, toen vader en anderen de beenhouwer konden  betalen, stopte de stroperij bij ons thuis.  In de velden verscheen er naast de jager nu ook een nieuwe type mens, een man die niet schoot om het plezier van het schieten,  maar om te verzamelen. Hij noemde zich natuurliefhebber en schoot op alles wat bewoog.  Het hoefde niet eetbaar te zijn want deze schutter-verzamelaar   sneed zijn prooi open en vulde die op,  om ze weer dichtgenaaid op de kast te zetten.  Als deze pronkstukken er te muffig gingen uitzien, had de man  geen moeite om met zijn geweer een ander exemplaar uit de bomen te schieten.  En schoot hij er te veel van een soort, dan kon hij  zijn trofeeën met de andere leden van zijn natuurvereniging ruilen.  Hij schoot er  dus maar op los om zo vlug mogelijk een complete verzameling te verwerven. Ook de  vogeleieren die hij bij zijn toetreding in de vereniging kreeg, bewaarde hij zorgvuldig in zijn verzamelkast.  

 

Naast deze schutter-verzamelaars verschenen er later nog anderen in het dorp . Deze andere natuurliefhebbers waren wel een zeldzamer soort.  Wij, de nuchtere dorpelingen, vonden die zonderlingen nogal belachelijk zoals ze daar met hun netje om zich heen sloegen.  Vlinders  waren er toen immers nog genoeg. Later vernamen we  dat ze hun vangsten op speldjes prikten en in droge kasten bewaarden.  Ook kever, libellen, bijtjes, vliegen en ander klein grut ondergingen dat droevige lot.  In de musea kocht men steeds weer extra kasten om de vele diertjes, voor wetenschappelijke studie, op te bergen. Van overal in de wereld werden hen vlinders in tipzakjes toegezonden. Het volstond blijkbaar niet om een enkel exemplaar per soort in de collectie te hebben. Integendeel, van sommige soorten werden er honderden naast elkaar opgeprikt en in laden opgeborgen. Je kan ze nu nog zien. Londen verzamelde zo de grootste collectie ter wereld. Dit alles om de soorten en hun biotoop te onderzoeken en de dieren voor uitsterven te vrijwaren. De onderzoeker vond die slachting maar gewoon De natuur was toen immers nog onuitputtelijk.  

 

De mens-jager-verzamelaar  was echter te hebberig en moedertje  natuur verloor stilaan haar kracht. Haar buik begon pijn te doen en ze kreeg minder en minder kinderen. Soorten werden zeldzaam, andere verdwenen. En dat gemis werd langzaam voelbaar bij de mens . Zeker de natuurliefhebber zag het van nabij gebeuren. Hij zag als eerste het verlies en protesteerde omdat hetgeen hij zo lief had, verloren ging.  Zelf hing hij het geweer aan de haak en probeerde  op een ander manier de dieren te verzamelen. Want  hoe dan ook, hij  bleef een  verzamelaar.  Het restant van een drang die , sedert een ver verleden, diep in hem geworteld zat.  Hij vond de oplossing en kocht zich een fototoestel en film. Van toen af stond de   natuur-fotograaf in het veld. De dieren werden door hem niet meer gedood en ook de eieren bleven in het nest.  Bloed kwam er niet meer aan te pas.  Deze nieuwe mens  was ook wel zuinig met de film, want de fotograferen bleef een dure hobby. Toch wist hij vele boeken  te vullen. Fotoboeken die van hand tot hand gingen en dia’s die met de jaren toch ook weer verwelkten en hun kleur verloren. Deze natuurfotograaf  had dus ook wel zijn bezigheid.   

 

De evolutie staat echter niet stil en na analoog kwam digitaal. Weg met die oude rompslomp.  Onze natuurliefhebber genoot nu van de onmetelijke vrijheid. Hij kon vanaf nu, zonder vrees voor mislukking, het knopje blijven indrukken. Het kwam niet op een fotootje want dat kostte geen cent extra.  Hij kon nu  naar hartenlust fotograferen.  De hemel op aarde dus en toch, waar hij aanvankelijk nog in zijn eentje  in het planten– en dierenrijk stond, staan er nu velen met hun lenzen en camera’s.  De concurrentie in het veld is groot geworden. De toestellen en de lenzen verbeterden. De merken en ook de fotografen  concurreren nu onderling met elkaar om het beste resultaat.  Deze beeldjagers drummen  nu als vliegen rond de zeldzaamheden in de natuur. Ieder wil zijn eigen serie kiekjes. Elkeen  zoekt daarbij naar de beste posities,  de mooiste belichting en de geschikte achtergrond.  Het model wordt van alle kanten in de lens genomen en ook met flitslicht bestookt. Ware fotokanonnen worden er op de dieren gericht. Het klikt en flitst dat het geen naam heeft. We leven immers in een flitsende beeldcultuur. Ieder probeert te scoren in de  ‘shoot’.  De foto van de dag,  dé foto van de maand , dé foto van het  jaar , dé foto van het leven.    Misschien wordt deze nieuwe soort natuurliefhebber  later wel de  ‘natuur-paparazzi’ genoemd.   (grapje!)

 

 


Potige pootjes.

 

Zomer. Het krioelt weer van het leven in onze contreien.  Miljarden poten, groot en klein trappelen over de opgewarmde aarde. Niet alleen op de grond, maar tot boven in de bomen kom je ze tegen. Er is geen plekje dat ze ongemoeid laten en allemaal gaan ze ergens heen. Een uitgelaten bende is het die haar weg zoekt in dit aardse bestaan. Zwervers zijn het, op zoek naar iets om hun buik te vullen zodat hun poten niet stilvallen. Want kunnen bewegen, dat is pas leven ! Je kan beslissen waar je heen wil. Een geschikte plek en een passend lief zoeken. Kortom je geluk kan niet op als je op poten hebt leren lopen.

 

De planten zijn daarin duidelijk benadeeld. Vast in de grond gepoot, moeten ze zich met hun omgeving zien te verzoenen. Ligt er voedsel voor het rapen dan maken ze al een kans, maar willen of niet, ze moeten zich schikken naar de elementen en hopen dat ze de ‘potigen’ overleven. Verder kunnen ze zich louter met wat stekels of wat chemisch spul tegen de calamiteiten verdedigen. De beslissing  wat er met onze groene vrienden gebeurt ligt dus bij de voorzienigheid en veel in de pap te brokkelen hebben ze niet. Zoiets is óns ook wel bekend. Als de planten dan schijnbaar toch wat beslissen, lijkt het bovendien nog de verkeerde kant op te gaan. Want wie ontkleedt zich als het koud wordt ! Die sukkels laten immers uitgerekend voor de winter nog wel hun bladeren op de grond vallen en staan dan zielig bloot de kou te verbijten.        

 

Poten aan je lijf hebben is dus wel een belangrijk voordeel dat de dieren van moeder natuur meekregen. Al liep dat in het begin wellicht niet van een leien dakje want moeder had er bij het begin van haar schepping blijkbaar niet aan gedacht. Op het land was dan ook geen leven te bespeuren. Pas toen het leven zich uit de zee wilde wurmen, bleek het hebben van een goed stel stappers wel voordelig. Op je buik over droog schurend zand kruipen is immers niet al te comfortabel. Al zijn er vandaag nog altijd vissen, zoals de ‘Grunion’  die er blijkbaar niet zo over denken en zelfs tot in de bomen kruipen. Toch blijven dit vreemde curiosa. De slakken dachten toch slimmer te zijn en bedachten een slijmlaag waarop ze kunnen glijden. Het was niet echt een slechte keuze want het werkt nog steeds. Maar geef toe, je bent dan niet bij de snelsten en toch ook nogal kwetsbaar als je over een druk bereden weg moet.      

 

Andere dieren kozen voor de zekerheid. Ze hadden toen nog een ruime keuze en zagen niet op een pootje. De voorzichtige miljoenpoten meenden er zelfs vier per lichaamssegment nodig te hebben en kwamen alzo op een stel stelten dat nu voor velen als schrikbarend over komt. Nochtans zijn het brave dieren die voor ons het afval verwerken en in humus omzetten. Trouwens het hen toegedeelde miljoen is flink overdreven. In ons omliggende landen was men iets realistischer bij de naamgeving voor deze dieren. Zoek dat maar eens op. Dat zogezegde miljoen doet me vermoeden dat men vroeger in onze contreien blijkbaar niet goed kon tellen of  mogelijk die vieze beestjes niet durfde opnemen om hun potenstel te inventariseren.

 

Nu zou je denken ‘hoe meer poten - hoe beter’. Je mag dan al eens een pootje verspelen en je zakt niet zo gauw door de knieën. Toch is dat niet zo, want je moet ze met zijn allen laten samenwerken. De ene poot mag de andere niet voorbijlopen, anders zou zo’n beest wel snel uit de bocht gaan en als een ongelukkige worm op de stoep liggen rondwurmen.  Neen, discipline moet er zijn. Een groot peleton soldaten moet een sergeant hebben die ook goed kan commanderen (en roepen !) om de bende niet tegen de muur te laten opbotsen. Een goede coördinatie is dus noodzakelijk en daarbij heb je een goed werkend zenuwstelsel nodig. Zo’n miljoenpoot heeft dat ook, maar toch is het geen ‘runner’ want hij heeft er toch wat te veel onder zijn toezicht te houden. Elke poot moet immers op het juiste moment doen wat hij moet doen. Geen sinecuur is dat, heel de beweging gebeurt in verschillende stapjes, vandaar dat onze meerpotige ook niet echt vlug vooruit komt.  Iets waarvan onze vriend gelukkig niet te veel last heeft, want zijn eten ligt zowaar voor zijn poten, klaar om op te scheppen.

 

De duizendpoot koos voor een opwindender leven. Hij heeft de traagheid van de miljoenpoot doorzien en vroeg minder poten aan moeder natuur. En hij haalt resultaat want zo te zien kan hij  zijn ondergeschikten beter mennen. Als jager carnivoor is hij dus snel genoeg om zijn prooi te achtervolgen en in de tang te nemen.      

 

Toch kregen de meeste insecten in tegenstelling tot de bovengenoemde meerpotigen (Myriapoda) maar zes poten toebedeeld. Niet omdat er geen poten genoeg waren maar omdat men met een onderstel van zes best tevreden mag zijn. Toegegeven, twee poten zou voor een insect onvoldoende zijn, want op zo’n tengere stekken moet je maar eens proberen je evenwicht te bewaren. Met drie poten weet je niet welke zich als eerste wil lichten. Met vier lukt het in principe aardig maar het blijft een evenwichtsoefening. Bij vijf noemen ze je een schaap. (voor wie er ooit van gehoord heeft). Neen, drie paar poten is wel degelijk ideaal voor een insect.

 

Als je er voor zorgt dat er telkens drie poten op de grond staan, sta je op elk moment stabiel. Je moet dan wel de juiste kiezen en  vermijden dat je niet drie poten aan een kant tegelijk oplicht, want zo val je immers om. Neen, plaats in één beweging een poot langs een kant en twee langs de andere op de grond en je staat stevig als een salontafeltje. Dan verzet je de overige drie vooruit en ga je daar weer op rusten. De eerste drie zijn dan weer klaar voor de volgende beweging. Op die manier blijft het zwaartepunt van je lijf steeds veilig tussen de steunpunten. De gebruiksaanwijzing is dus simpel. In de praktijk is het wel wat ingewikkelder want alle poten moeten op zich ook nog kunnen buigen en strekken. Het blijft dus een ingewikkeld getrek en ontspannen van vele spiertjes. Een zeer complex marionettenspel.

 

Maar ik wil hier niet te ver op in gaan, want de hele handeling is voor mij ook nog niet echt duidelijk te overzien. Het in de praktijk gaan bestuderen lijkt dan op het eerste gezicht aangewezen. Al moet je wel rap zijn want insectenpootjes zijn klein en kunnen razend snel bewegen. Zelfs een gezonde mens kan ze met zijn ogen nauwelijks volgen. Ja, onze kleinste beestjes hebben wel degelijk potige pootjes, pootjes, pootjes, pootjes,   …   …   …   …   …

 


 

Op pad In het plantenrijk.

 

Als ik op mij eentje in de natuur wandel, dan voel ik een gemis aan kennis van de plantenwereld..  Al ben ik nu toch al een paar jaar op stap in ‘t groen, ik ben spijtig genoeg nog steeds een leek in het benoemen van de planten. Daar alles in de natuur samenklit is het tijdens de exploratie geregeld noodzakelijk om die samenhang te kennen. Plantenkennis wordt onontbeerlijk. Veel insecten hebben zo hun voorkeurplanten en wil je ze vinden dan moet je uiteraard ook die waardplanten kennen.  Wat ben je er bijvoorbeeld mee als je de rups van een Sleedoornpage zoekt terwijl je geen idee hebt hoe de sleedoorn er uit ziet.  Je kan zo lang zoeken, beste vriend.

 

Het wordt dus hoog tijd dat ik de namen van de plantjes aanleer. Het is trouwens ook  de eerste vereiste om met anderen over de flora te kunnen communiceren of om er bijhorende kennis over te vergaren. Bovendien is het niet aangenaam om tijdens een excursie  telkens weer naar de naam van diezelfde plant bij de specialisten te informeren. Zeker als dat meermaals op een eenzelfde wandeling gebeurt, is dat zelfs voor een beginner beschamend.  Zoals je wel begrijpt, wil ik niet meer  met rode wangen en gebogen hoofd op excursie. Verder spaar ik ook mijn rug en knieën als ik de kennis in mijn hoofd kan meedragen en niet op de stapel gidsen in mijn overvolle draagtas aangewezen ben. Het wordt dus tijd om te studeren. Die studietijd heb je in winter. De grijze winterdagen, waarbij de natuur toch als een kat ligt te soezen en met een half gesloten oog op de lente wacht,  zijn hiervoor immers uitstekend geschikt.

 

Ik weet ondertussen  wel dat mijn geheugen met de jaren als een oud spinnenweb steeds meer gaten vertoont. Met die zelfkennis besef ik maar al te goed dat het een hele klus wordt om de vele namen in de grijze cellen te vangen en te stockeren.  Zeker als je ziet hoeveel plantjes er in het rijtje staan te wachten, kan je de moed verliezen.  Nu zal ik ook wel nooit de kennis van de grote kenners,  zoals Karel (zie vorige Meander),  kunnen evenaren, maar beste lezer dat is ook mijn objectief niet. Ik ben al tevreden als ik figuurlijk tot hun knieën reik en ook niet meer in de grote plantentuin verloren loop.

 

Mijn besluit staat dus vast : ” Ik begin eraan”.  

Blijft echter de vraag : “Hoe pak ik dat aan? “  Ik heb ondertussen al een stapeltje boeken vergaard  en het internet kan me ook wel ondersteunen . Praktijkervaring is normaal gezien ook een goede leermeester, maar de winter is nu niet het beste seizoen om de plantjes in het echt  te bestuderen. Er rest me dus enkel de ‘droge’ studie. Gelukkig is met de jaren ook het geduld in mijn geest neergedaald, dus de drempel is voor mij nu niet  te hoog meer.

” Niet meer uitstellen” denk ik dan. “begin er nu toch aan!”

 

Uit ervaring weet ik dat ik moeite heb om veel namen na elkaar te memoriseren.  Soms ben ik zelfs na enkele minuten een pas uitsproken naam alweer vergeten. Iets wat me in de omgang al meerdere keren tot verlegenheid bracht. Zeker als ik als man bij een eerste ontmoeting een vrouwennaam vergat, bleek dat onvergeeflijk.  Maar kom, ik wijk af.  

Begin nu maar met de studie !

 

De raad van mijn vader indachtig , besluit  ik de olifant in stukjes te snijden om hem stukje per stukje te kunnen opeten.  (beste vegetariër,  vergeef me nogmaals voor de beeldspraak). Het komt er gewoon op neer dat ik het plantenrijk naar eigen behoefte ga indelen en verwerken. En vermits ik een visueel geheugen heb en ook redelijk kleurgevoelig ben,  ga ik me in de eerste plaats op de bloemkleur van de planten focussen om hun naam te leren.  Vertrekkend van de bloem zal ik later in het veld  dan ook naar de rest van de plant kijken zodat ik  geleidelijk mijn kennis kan verruimen en nog later niet op de volgende bloeitijd moet wachten om ze op naam te brengen.  “Zo moet me dat lukken!”.

 

Met mijn methode hoef ik ook niet onmiddellijk  moeilijke termen zoals , cymeus, fertiel, heterostylie, pappus, bulbil ,cleistogaam  en de vele andere die je nodig hebt om juist te determineren,  te kennen . De bijhorende determinatiesleutels hang ik dus nog voor even aan de haak.  “Je studie is weinig wetenschappelijk” zal de kenner beweren. Ik geef dat gewillig toe, academisch is het niet, maar ik ben voorlopig met een eerste inzicht tevreden. Je moet immers toch met iets beginnen.  Honderd procent exact zal mijn determinatie in het veld dus wel niet zijn. Maar geen nood beste specialist, ik ga er nu ook niet direct een wetenschappelijk artikel over publiceren.  “Liefst nu geen commentaar meer, ik wil er nu toch echt aan gaan beginnen.”

 

En,  ik ben ermee begonnen. (januari 2010)  Althans toch met de meest voorkomende plantjes met witte bloemen. Die bekijk en benoem ik elke dag opnieuw. Ik overloop hun afbeeldingen nu meermaals daags en probeer blindelings hun naam uit te spreken. Het Latijn laat ik nog achterwege. Het lijkt wel alsof ik als een kind een taal aanleer. Assimilatie dus. Het gaat wel moeizaam want een talenknobbel kreeg ik bij mijn geboorte niet mee, maar kom het gaat . Ik beperk me nu tot de plantjes met witte bloemen tot ik deze ken. Daarna volgt de rest van de kleurenboog wel.  Kleur per kleur. Met geduld dus . De olifant in stukjes.

 

En nu ( januari 2010) nog even wachten tot de eerste sneeuwklokjes verschijnen.      

 


 

De creationist.

hugo verschelden/IWG Lampyris 

De knal moet enorm geweest zijn. In nog geen fractie van een seconde was het daar; ons heelal.  Althans het begin ervan. Een hete brei die uit het niets met bijna oneindige snelheid naar alle kanten vloog. Na deze krachttoer waren er  miljarden jaren nodig om de boel af te koelen, zodat er her en der plekken ontstonden  waar de natuur voet aan de grond kreeg. Ons aardknolletje was daar een van. Daarmee was het verhaal echter nog niet geschreven. Het zou nog een hele tijd duren voor er dieren tussen de bomen en struiken liepen, want de evolutie nam haar tijd. Je verandert immers niet vandaag op morgen een eencellig wezentje in een slak, laat staan in een aap of een mens. Je moet immers een kolonie cellen hebben die willen samenwerken, het werk verdelen en die  in de veranderende omstandigheden blijven overleven.  Dat is toch wat onder andere het  Darwinisme ons probeert duidelijk te maken. Ook al discuteert men vandaag de dag in Amerika of men het  goddelijk creationisme geen kans meer moet geven.

      

Hoe dan ook, daar stonden ze dan naakt op twee benen. Man en vrouw tussen het groen en de beestjes. Mooi en vrijwel onbezoedeld was hun omgeving. Het leek het paradijs wel, maar al vlug ontdekten onze verre voorouders dat de natuur hen niet altijd goed gezind was.  Erger nog , die twee bleken de speelbal van de natuur te zijn en konden daar weinig aan veranderen. Ze leden kou en honger. Werden door de dieren belaagd en doorstonden talrijke ontberingen. Veel van hun nakomelingen stierven door het natuurgeweld. Beste natuurvriend, je moet dan ook begrijpen dat de mens na zoveel duizenden jaren niet zo natuurminnend van inborst meer is.  Maar kom, de mens  overleefde die kwellingen omdat hij inventief was. In zijn  fantasie stelde hij zich zelfs boven de natuur en wist ook nog de biodiversiteit te verhogen door zelf allerlei wezens te verzinnen.  Op een dag kleefde hij de  buste van een jonge vrouw aan de staart van een vis en was er een zeemeermin geboren. Een mens met vleugels noemde hij een engel.  Ook met een paard en een man experimenteerde hij om een centaur op de wereld te zetten. Een paard met een hoorn en vleugels zag hij ook nog vliegen.   Mooie fantasieën had hij wel.  (*sorry ik liet me weer even in die fantasieën meeslepen).  Maar ook in hun angsten waren onze voorvaderen creatief. Zie maar eens wat Jeroen Bossch allemaal op zijn schilderijen borstelde. Gelukkig werden die demonen geen werkelijkheid en bleef de natuur nog praktisch ongeschonden. Neen, deze “dromerige  creationist” veroorzaakte maar weinig schade en de natuur kreeg nog redelijke kansen om zich van zijn fouten te herstellen.

 

Toch wou de mens de natuur ook letterlijk naar zijn hand zetten.  In de eerste plaats uit noodzaak, om te overleven. Want de natuur mag dan wel mooier dan vandaag geweest zijn,  hij bleef zich toch vijandig gedragen. Waren het geen roofdieren die onze voorouders opaten, dan waren er de insecten die beten en het kostbare voedsel roofden. Bovendien werden de moeizaam verworven velden geteisterd  door het weelderig woekerend  onkruid.  Er waren vele handen nodig om die pest van het veld te plukken; En over de kwaadaardige ziekten zullen we hier maar zwijgen, zodat je nog verder wil lezen. Al die kwalen hingen de mens als een wespennest boven het hoofd.  Eeuw na eeuw ging het zo. Er was toen wel een natuurlijk evenwicht, maar de mensheid voelde zich wellicht toch door de schepper beetgenomen.. Je kan dan  wel begrijpen dat er een zekere vijandigheid ten opzichte van die onbetrouwbare natuur ontstond. En als de offergaven door de goden werden afgewezen, zal er ook wel gevloekt zijn. De natuur diende absoluut bedwongen om het leven aangenamer te maken. De mens wilde de goddelijke schepping niet meer lijdzaam ondergaan en  begon daarom  de natuur en zijn nukken te bestuderen.    

 

Na lang zoeken en experimenteren ontdekten de ‘alchemisten’ de beloftevolle chemicaliën die in hun experimenten  toch wel zeer effectief bleken te zijn in de strijd tegen al dat onkruid en ongedierte. De landbouwers hapten toe en de velden werden schoongeveegd. Weg met die ellende!  De boeren sproeiden de wondermiddelen overvloedig,  zoals kinderen op een warme zomerdag met water spelen. Het hielp en de mensheid zag de oogsten toenemen. Het boerengezin wreef de handen omdat er  nu bovendien minder handen op het veld nodig waren. De kassa rinkelde.  Dat was een hele opsteker.  Met die sproeistoffen leek de boer nu wel baas in eigen buik.

 

Na een tijdje begonnen echter andere buiken te protesteren. Kankers en kwalijke ziekten teisterden de wereld en de mensheid. Het gif verspreidde zich en verkankerde de natuur.  Misvormingen en nieuwe ziekten verpestten de levende wezens. De overleefden vochten tegen de ongemakken en de pijn. Andere schepselen stierven in hevige pijnen.  De zo geprezen creativiteit van de mens werkte destructief. Het natuurlijk evenwicht kreeg zware klappen. Soorten begonnen uit te sterven. Dit omdat de wetenschappers de mogelijke gevaren van hun ontdekkingen niet hadden voorzien en omdat de fabrikanten hun winsten niet graag zagen teloor gaan.  Al zag men het onheil hangen, toch gingen het zo jaren door.  Dat omwille van het geldgewin. Gangsters zijn er altijd al geweest en zullen er ook altijd zijn.  Vandaar ook het sluimerend gevaar dat in nieuwe kennis vervat zit.

 

Zeker nu we op de drempel van een revolutie in de genetica staan, is de kans op een catastrofe niet denkbeeldig. De kennis van het Cloonen bezit de mens al . Maar nu hij de werking van het DNA begint te begrijpen, is het hek volledig van de dam. Hij heeft de natuurlijke bouwsteentjes bijna in de vingers om met deze nieuwe ‘LEGO-blokjes’ te gaan experimenteren. Nu al brengt hij kleine aanpassingen in het DNA aan. En het blijkt hem nog te lukken ook, de genetisch aangepaste planten staan al op het veld .  De natuurlijke evolutie is bij deze dus al onderbroken. Op termijn zullen de menselijke ingrepen  zeker drastischer worden, want de mogelijkheden zijn onbeperkt.  Als ‘creationist ‘zal de wetenschapper allerlei  ‘verbeterde’ wezens op de wereld willen zetten.

 

Wat we vandaag ook proberen om die experimenten en deze verontrustende evolutie te stoppen, het zal ons niet lukken.  De menselijke natuur  zit nu eenmaal zo in elkaar.  We mogen ons terecht ongerust maken  Het gaat nu niet meer om een zeemeermin, eenhoorn of duiveltje, maar om levende wezens. Bij experimenten kan veel fout lopen en gezien het kwaad ook van deze wereld is, bestaat er altijd een kans dat het fout afloopt.  Volgens astrofysicus Sir Martin Rees is er zelfs 50% kans dat er na deze eeuw geen mensen zoals wij meer op de wereld zullen rondlopen. Nu zijn er wel al veel doemdenkers geboren die ongelijk kregen,  dus  laat ons maar veronderstellen dat  die man fout zit en dat wij, en onze nakomelingen, nog lang van de  mooie natuur mogen genieten. 

 

    “Met deze woorden wil ik dit dagboek sluiten en jullie, trouwe lezers,  bedanken.”       

 

 


 

 

 

           

 

 

 

 

008  

                                                           foto hugo veschelden

       home     publicaties

 

        De artikels

  de eerst bladzijde

    de eerste ontdekking

    Het jaar van de vlinder

    een inspirerende vlieg

    Seks bij de beestjes

    Lipotorae Heliosis

    Vlinderen in de nacht

    Beestje ! Overal beestjes !

    De hemel op aarde

    Op pad in het plantenrijk

    Potige Pootjes

    Natuur-Paparazzi

    De krekel en de mier

    De wereld der traagheid

    De creationist

 

 

 

 

 

 


   

    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

       terug

 

    

    

 

 

 

       terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

       terug

 

 

 

 

 

 

        terug

 

    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

        terug

 

 

 

 

 

 

 

 

       terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   
    paringswiel waterjuffers             foto hv

    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

      terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

 

 

     terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

      terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

      terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   terug