het dagboek van een groenling
hugo verschelden
Hier vind je de ervaringen van een
beginnend natuurliefhebber. (Hugo Verschelden)
Alle artikeltjes werden gepubliceerd
in het tijdschrift Meander.
Dagboek van een ‘groenling’ 1 (*) .
*een beginnend
natuurliefhebber
Bladzijde 1
Daar staat een man met baard
en regenscherm . Hij klopt met een stok op de struiken en scharrelt tussen
de blaadjes en takjes die van de struik in zijn regenscherm gevallen zijn.
Ik sta er verwonderd bij en besef nu pas, na al die jaren dat ik onder de
zon loop, dat alles vol beestjes zit . In je huis, een boom, iedere
struik, op alles om je heen leven beestjes . Ze hebben het me wel ooit
honderd keer verteld, maar ik zag en besefte het niet . Een nieuwe wondere
wereld gaat voor me open. En dat allemaal door die vriendelijke dame van de
invertebratenwerkgroep die me voor een opendeurdag heeft uitgenodigd.
Note : Ik
had toen nog nooit van invertebraten gehoord en moet eerlijk bekennen dat ik
tot dan niet echt van insecten hield. En er eigenlijk wat bang voor was
(ben).
De
getijgerde lijmspuiter.
Er zitten getijgerde
lijmspuiters in mijn huis ! Ik krijgt bij het horen van hun naam alleen al
de kriebels en de bobbels op mijn lijf. Maar de man achter de tafel staat er
rustig bij te glimlachen en toont zo’n beest in een plastic potje. Gelukkig
valt het formaat wel mee en met de kalmerende uitleg van de ‘spinnenman’ (spiderman)
gaan de rillingen vrij vlug over . Ook de manier waarop hij de andere
spinnen als een snoepje uit de doosjes grist, brengen me in twijfel . Waarom
ben ik bang voor spinnen ? Wat later in de ijskelder van het Liedtspark zit
ik er zelf al midden in. Maar ze vastnemen, dat kan nog even wachten.
Note :
In twee uur tijd kan men mijn fobie wegnemen.
Namen
Ik ben zo slecht in namen dat
het geen naam heeft. Laat staan al die latijnse namen. Het moeten toch
allemaal zeer slimme mensen zijn die al die planten en beestjes zo uit het
hoofd kunnen benoemen, denk ik terwijl ik met de plantenwerkgroep een
vierkante kilometer te Roborst uitkam. Als het nu maar enkele namen waren ,
maar neen mijn mond valt helemaal open als ik de vlotheid hoor waarmee de
plantkundigen hun omvangrijke groene wereld vastleggen. Even wordt het me
teveel en zakt de moed me in de laarzen .
Note : Ik
koop me alvast een boek en ga beslist nog mee tussen al dat groen.
Waar ?
Waar ? Daar ! Zie je ze niet
? Daar verder op de Schelde ! Neen, meer naar rechts ! Met hun drieën
vliegen ze laag over het water. Oeverlopers. Ja het zijn oeverlopers , Je
ziet het aan hun vlucht. Ik kijk mijn ogen uit,maar zie de vogels nog niet
die de jongeman me wil tonen. Ja ! Daar ! roep ik zelf nu ook
opgewonden. Ze landen op de oeverstenen en lopen daar schokkerig rond te
pikken. ‘Kijk maar eens door mijn kijker ‘. zegt de man lachend .
Ik krijg vleugels van het
enthousiasme van de vogelwerkgroep.
Note: Ik
moet echt nog leren kijken .
Dagboek van
een groenling 2
Ervaringen van een
beginnend natuurliefhebber.
De eerste
ontdekking.
Hier sta ik dan alleen
en onwennig tussen al dat groen op zoek naar insecten. Ik weet dat ze er
zitten, doch ik moet ze nog zien te vinden. Ik heb alvast een regenscherm en
de wandelstok van mijn grootvader meegebracht om ze te verschalken. Er is
gelukkig geen levende ziel in de buurt te bekennen, dus niemand kan me voor
gek aanzien. Het moment om toe te slaan lijkt me dus aangebroken. Voor het
eerst in mijn leven klop ik met de wandelstok op de struiken terwijl ik de
inhoud in de gele paraplu opvang. Een nieuwe hobby is hiermee gestart. Een
memorabele gebeurtenis dus.
De vangst valt echter
wel wat tegen. Afgezien van wat spinnetjes, enige groene luizen, enkele
mieren, een paar groene rupsen en een nietig klein kevertje rent er niets
over het doek. Wat ontgoocheld schud ik de beestjes in het gras. Een groene
rups moet dit echter voorzien hebben en bengelt veilig met een draadje aan
een balein van het scherm. Wat verwonderd sta ik er bij te kijken . Een
moment denk ik dat ze in een spindraad van een spinnetje vastzit, maar besef
tenslotte dat het beestje zichzelf heeft verankerd. Op de eerste pagina van
mijn waarnemingsboekje noteer ik deze eerste vaststelling.
Noot: Onbekende
rups gevonden die spint. Dat een rups kan spinnen dat kon ik weten!
Vermits ik nog geen
insectenboek bezit, kan ik nog niet met determinatie beginnen. Ook de
kevertjes,spinnetjes en rupsen uit de volgende klopbeurten blijven dus
onbekend voor de wetenschap. Maar ik geraak in het geheel niet ontmoedigd en
blijf me verwonderen over al dat kleinwonderlijke leven. Enthousiast
nieuwsgierig blijf ik in het rond kloppen, ik vergeet de tijd en voel me in
een andere wereld. Midden tussen de blaadjes en de beestjes lijkt het wel of
ik gekrompen ben. De wereld van de grote mensen is ver weg. ‘Huggie in
wonderland’ !
Ik verkeerde toen een
hele tijd in een lichte trance tot mijn ogen, geheel onverwacht in een
struik bleven hangen. Tussen de schermbloempjes van het fluitekruid zat iets
rood en het bewoog! Mijn adem stokte van verbazing. Zo’n
rood-zwart-gestreept-kevertje dat er rondscharrelde had ik nog nooit in onze
contreien gezien. Mijn bloeddruk steeg nog meer. Ik besefte dat dit mijn
eerste ‘belangrijke’ ontdekking was en voelde me als Darwin bij de
ontdekking van de evolutietheorie. Nerveus en onwennig schudde ik het
merkwaardige kevertje in een potje. Zowel de vorm, de tekening als de kleur
van de kever bleven me verbazen. Het leek wel een tropisch insect en een
nieuw specimen voor de wetenschap.
Wat later ontdekte ik
dat het diertje toch reeds in de wetenschappelijke kringen gekend was en al
een tijdje met de toepasselijke naam ’pyamawants’ op onze wereld
rondscharrelt.
Toch verheugde ik me
met mijn vondst en met mijn eerste geslaagde determinatie. Het beest was
echter minder tevreden en toonde duidelijk zijn ongenoegen. Want toen ik het
terug in de natuur plaatste, besproeide het mijn handen met zijn indringende
geur. Zeep en water konden het parfum niet echt wegnemen. Want hoe ik mijn
handen ook waste, de stank bleef nog een hele dag diep in mijn neus kleven.
Als ik mijn ogen sluit kan ik het nog ruiken. Doch achteraf gezien is dit
ongemak niet erg want het versterkt de herinnering aan dat mooie moment van
mijn allereerste ontdekking.
Noot :
Pyamawantsen zijn stinkerds .
Nog op te zoeken
: Is een wants nu een kever of niet ?
Beste lezer : Als
beginnend amateur weet ik niet of mijn ontdekkingen wetenschappelijk correct
zijn. Dus voel je vrij om te reageren.
verscheldenhugo@hotmail.com
Uit het dagboek van een
groenling 3
Het jaar van de
vlinder
Het aanbod in de
natuur is zo overweldigend dat ik onmogelijk alles kan verkennen. Ook al is
mijn nieuwsgierigheid uitermate geprikkeld en al wil ik zoveel mogelijk
ontdekken, ik besef dat ik toch zal moeten kiezen. Even kwelt me de gedachte
dat ik veel vroeger had moeten beginnen, maar gedane zaken nemen geen keer
en ik zet me maar even onder de sterren om mijn gedachten naar de toekomst
te richten.
De wondere, bijna
voorhistorische, wereld van de invertebraten boeit me uitermate en al heb ik
nog een psychologische afkeer om ze aan te raken, ik wil er toch korter bij
komen. Vermits de aaibaarheidsfactor van die beestjes voor mij dus voorlopig
nog een belangrijke rol in mijn beslissing speelt, lijken me de vlinders een
geschiktste keuze. Het aantal soorten is in onze streken beperkt en dus voor
een beginnend ‘entomoloog’ misschien nog een haalbare zaak om ze te
determineren. Daar die schepsels bovendien fotogeniek zijn, komt mijn andere
hobby ook nog aan bod. Al is de lens van mijn fototoestel wel wat kort om de
vlinders rustig van op afstand te kunnen fotograferen. Maar dat deert me
niet. De uitdaging om de verlegen modellen tot kort te naderen geeft me dan
toch ook weer een kick. Mijn besluit is genomen.
Noot : Ik start
‘Het jaar van de vlinder.’ Meer specifiek de dagvlinder want nachtvlinders
zien er voor mij voorlopig niet zo aaibaar uit. Verder kan er tussendoor nog
altijd wel een ander beestje of plantje bij.
Als ik nu de voorbije
zomer en herfst bekijk dan moet ik toegeven dat de bonte fladderaars me
aardig tussen de vleugels hebben genomen. En dat alles op een boogscheut van
ons huis. Het land en de plassen langs de Schelde tussen Oudenaarde en
Welden werden: ‘Mijn persoonlijk reservaat’. Al blijft ieder er uiteraard
welkom. Op de fiets langs de velden en meersen genoot ik van mijn vondsten
en ontdekkingen. Regelmatig zakte ik op mijn knieën of ellebogen, het kontje
in de lucht, om een vlinder te bekijken en te fotograferen. Toevallige
fietsers begaapten me alsof ikzelf een nieuw specimen was. Maar ik verdroeg
dit alles zonder schaamte. De vlinders trokken al mijn aandacht en het
verwonderde mij hoeveel er te zien waren. Was ik vroeger dan natuurblind ?
Tussendoor ontmoette
ik ook andere schepselen uit de natuur. Libellen, zweefvliegen, wantsen,
slakken, onbekende kevertjes, en nog veel meer bijzonders kwam me tegemoet.
Al waren er ook minder aangename ontmoetingen . Kleine onverlaten stoken en
beten me in het hoge gras. En dat altijd net op het moment dat ik als een
kat gespannen klaar zat om dé foto van de dag te nemen. Ik maakte mezelf
wijs dat ik de beet niet voelde en deed alle moeite om de knagende jeuk te
vergeten. De foto’s van de vlinders verzachtten mijn kwellingen.
Maar niet alleen de
vlinders trokken mijn aandacht . Op het jaagpad langs de rivier en bij de
plassen doken onbekende vogels in wilde vlucht langs me heen. En overal vond
ik wilde planten met merkwaardige vormen, bloemen en geuren. Ik probeerde
dat alles op te snuiven en in mijn hoofd op te nemen. Nog nooit eerder
voelde ik me zo opgenomen in de natuur. En dat had ik de sprankelde lente
vol nieuw leven nog niet meegemaakt !
De maaibalk die de
Scheldeoever kaal ruimde, verstoorde echter mijn waarnemingen en mijn
dromen. Vele vlinders verdwenen uit mijn reservaat . Ik hoop ze in de
komende seizoenen toch nog weer te zien.
Als een beginnend
entomoloog noteerde ik nauwgezet al mijn waarnemingen in een boekje om ze
daarna in de computer netjes over te nemen. Tot mijn spijt en ergernis zijn
de vele gegevens en bevindingen die ik noteerde door een virus weggemaaid.
Het soort virus heb ik spijtig genoeg niet tijdig kunnen determineren.
Noot: Vergeet in het vervolg geen ‘backup’ te nemen of de waarnemingen
tijdig aan de buitenwereld door te geven.
Gelukkig heb ik mijn
boekje nog en kan ik hier met enige bescheiden fierheid mijn waarnemingen en
enkele foto’s nog even kwijt.
74x Atalanta, 137x
Dagpauwoog, 60x Distelvlinder, Oranje- en bruin zandoogje (zeer veel), 22x
Bont zandoogje, 9x Kleine vos , Icarus blauwtje ( 77 afzonderlijke expl
!), 1x boomblauwtje(Waasland) , 1x Bruin blauwtje (Waasland),
21x Koninginnepage, Witjes (niet geregistreerd wegens problemen met het
verschil tussen groot en klein koolwitje),13x geaderd koolwitje, 5x
Oranje luzernevlinder , 1x Landkaartje, 13x Gehakkelde aurelia,
Ook verscheidene kolibrievlinders, veel gamma-uiltjes , zeer veel rupsen van St
Jacobsvlinders, geelsprietdikkopjes ,veel groene kikkers, pad, ijsvogel,
groene spechten ,
en tussen de plantjes
onder andere een zeldzame en mooie Zwanebloem
En om niet te
vergeten de vrienden van de invertebraten werkgroep die me met hun
kennis hebben overgoten.
Het dagboek van een groenling
4
Een inspirerende vlieg
.
Een jaar geleden is het nu dat ik ‘de
beestjes’ ontdekte. Nu zie ik ze overal, tot in de kleinste hoekjes. In
de spleetjes van oude bomen, onder het bladerdek, langs de rand van een
bloempot, op zolder, in de kelder, in mijn slaapkamer, zelfs in mijn
dromen. Je kan geen plekje bedenken of ze zitten me daar stilletjes aan
te staren. Met hun piepkleine oogjes of tentakels en andere onderdelen
volgen ze argwanend mijn 'mouvementen' . Ook zij zijn nieuwsgierig maar
duiken toch veilig weg als ik te dichtbij kom. Want zij weten
instinctief dat het een wereld is van eten en gegeten worden. Een hard
leven is het. Overal dreigt hen het gevaar. Overal zitten vijandige
beestjes klaar om hun schaal te doorprikken en hun lijfjes leeg te
zuigen. Ze voelen nu ook nog mijn adem als ik ze benader.
Begrijp me niet verkeerd als je het
bovenstaande leest. Ik ben geen drinkebroer, heb geen delirium of enige
andere waan. Neen, ik zoek de invertebraten nu uit passie. Neem ze met
mijn fototoestel, mijn verrekijker en mijn notaboek. Ik fotografeer en
noteer. Ik verzamel ze in mijn computer. Een beestjeachtige obsessie is
deze hobby geworden. Maar dat is, besef ik nu, nog maar de eerste fase.
Een periode van verzamelen om te verzamelen. Zoals ik als een tiener
zonder veel nadenken chromo’s, auto's of filmsterren als trofeeën in een
cahiertje zat te plakken en trots aan ieder toonde. Neen, daar kan het
niet bij blijven. Ik wil meer over ze weten.
Nu, uitgerekend terwijl ik dit
neerschrijf, zit er toch wel een vlieg vóór me in haar pootjes te
wrijven. Een handeling die me wel al eerder bij andere vliegen is
opgevallen. Wellicht zal jij, als aandachtige lezer, dat ook wel eens
hebben waargenomen. Maar hebben we ons ooit afgevraagd waarom de
vliegen dat eigenlijk doen? Ik niet. Zou ze het vuil van haar pootjes
vegen, heeft ze het koud, geniet ze nog even na van een lekkere hap, of
verheugt ze zich misschien op wat er komen gaat en zit ze klaar om me
'vliegensvlug' te komen steken? Ik weet wel dat het antwoord op deze
kwestie niet echt belangrijk is. Daar gaat het hier eigenlijk ook niet
om, maar ik besef nu ten volle dat het ook tijd wordt om naar de
waarom’s en hoe’s op zoek te gaan. Me niet enkel bevragen wat voor
merkwaardig dier er voor de lens zit. Niet enkel bekijken en verzamelen
maar nagaan waarom de beestjes zich zo en zo gedragen. Me verdiepen in
hun handelingen en hun bezigheden.
Nu kan een mens alles van vooraf aan
opnieuw gaan onderzoeken en uitvissen. Het warm water uitvinden dus.
Doch dat heb ik altijd al tijdverlies gevonden. Je moet geen tijd
stoppen in wat al ergens geweten is, en zonder enige voorkennis uren
naar een vlieg zitten gapen. Neen, laat ik eerst de bestaande lectuur,
internet en de specialisten (ook bij natuurpunt!) raadplegen, dan leer
ik kijken naar wat ik moet kijken en kan altijd nog zelf een mening
vormen en misschien met wat geluk ook nog wel iets nieuws ontdekken. Al
is het me daar nu niet echt om te doen . ‘Maar je weet maar nooit !‘ zei
Polycarpus, veel ongewervelden zijn immers nog niet in detail
bestudeerd. Ik trek dus mijn vleugels aan en vlieg snel naar de bib. De
bron van veel kennis en wijsheid ligt daar gewoon als nectar voor het
grijpen in de rekken. Het begin van een nieuwe zoektocht in die wondere
wereld van de invertebraten.
Vele vragen borrelen reeds in mijn
hoofd. Ik noteer er alvast een paar in mijn ‘notebook’.
° Waarom paren vlinders tegenliggend en
maken libellen het met hun paringswiel nog moeilijker ? Zitten hun
vleugels misschien in de weg ?
° Heeft een rups al vliegspieren, die
ze later als vlinder nodig heeft ? Zit de kennis van het vliegen al in
een rups?
° Waarom vallen spinnen niet van de
draad die ze spinnen ? Het spinsel in hun spinselklieren is toch
vloeibaar !
° Waarom wrijft die vlieg daar vóór me
in haar pootjes ? : - )
Dagboek van een groenling
5
januari 2008
Erotiek en
seks bij de beestjes.
We denken er in ons bed of op
andere plaatsen niet altijd aan maar erotiek en seks houden het leven op
onze planeet gaande. Dat geldt niet alleen voor ons maar voor het hele
dierenrijk. Het onderwerp is dus van levensbelang te noemen en nu seks en
erotiek geen taboe meer zijn, waag ik het erop om er dan ook een artikel
aan te besteden. Als je echter op zoek bent naar een goed recept voor een
aardig liefdesleven, moet ik je wel teleurstellen. Je vindt hier maar
weinig soelaas voor eventuele problemen in je liefde- en seksleven. Ik hou
het voor mij veilig en beperk me hier immers uitsluitend tot het ‘amoureuze’
gedoe van de beestjes.
Om het gedrag van onze fauna
in de boeken te bestuderen stapte ik, zoals je weet uit eerdere artikels in
dit tijdschrift, naar de bibliotheek. Nu vond ik het onderwerp van de
voortplanting, waar we allen wel wat nieuwsgierig naar uitkijken,
interessant genoeg om maar mee naar huis te nemen. En ik werd niet
ontgoocheld, want de gedragingen van sommige van onze medeschepsels wekten
mijn verwondering en, toegegeven, soms ook wel mijn bewondering. Het
voortplantingsritueel, met bijhorende attributen, van vele van onze
planeetbewoners is immers volgens onze normen toch wel zeer ‘merkwaardig’ te
noemen. Bovendien moet het aantal variaties in de hofmakerij en de
copulatie bij de diertjes zeker niet voor de welgekende Kamasutra
onderdoen. Maar kom, laat ik jullie geduld niet langer op de proef stellen
en die sluier oplichten.
Zoals je weet, tenzij je niet
in de evolutietheorie gelooft, is alle leven in de zee ontstaan, daarna
deels uit die zee gekomen en er ook weer gedeeltelijk naar teruggekeerd.
Eencellige verenigden zich tot meercellige en die zijn dan weer uitgegroeid
tot de verschillende soorten wezens die we nu op het land, in het water en
in de lucht ontmoeten. Ieder schepsel diende zich daarbij aan de wijzigende
omstandigheden aan te passen. Geleidelijk vervormde hun lichaam om zo goed
mogelijk in de omgeving te passen. Dat wisten we natuurlijk al allemaal.
Maar wat we meestal over het hoofd zien is het feit dat ook de genitaliën
met bijhorende gebruiksaanwijzingen zich volgens de specifieke
noodwendigheden wijzigden.
De diverse soorten hebben op
dat vlak hun best gedaan en zijn dikwijls tot verschillende oplossingen
gekomen. Niet elk mannelijk beestje loopt of zwemt dus met een penisje rond
dat in het vrouwtje moet belanden om voor nakomelingen te zorgen. Neen,
velen moeten het zelfs zonder stellen. Anderen hebben dan weer twee
exemplaren of bezitten zowel het mannelijke als het vrouwelijke
geslachtsorgaan. Ook de liefdesdaad voltrekt zich dikwijls op buitenissige
wijzen. Sommigen dieren doen het liefst van op een afstand en laten het zaad
en de hom gewoon losjes in het water ronddrijven. Andere verpakken hun
sperma in spermapakketjes en leggen het voor het vrouwtje grijpklaar. Er
zijn er zelfs die met die spermatoforen naar het vrouwtje gooien of gewoon
gewetenloos ergens door de huid van een wijfje prikken waarbij de
spermatozoïden zich in haar lichaam verdelen en aldaar de eitjes gaan
zoeken. Het wordt nog straffer, wanneer de kleine mannetjes gewoon gans hun
leven in het lijf van het vrouwtje wonen om ter plekke de eitjes te
bevruchten. Andere mannetjes stoten dan weer een deel van hun lijf af en
sturen het losgekomen lichaamsdeel naar het rijpe vrouwtje. Je moet wel
helemaal malloot zijn als je het seksen met je partner aan zo’n helper
overlaat, vind ik, maar toch moet ik hem ergens gelijk geven (lees verder).
En dan zijn er ook nog de onverbiddelijke minnaars die voor één enkele
seksbeurt hun leven riskeren en het dikwijls ook verliezen omdat hun partner
hen met veel liefde opeet. Haar ‘sexappeal’ moet wel erg krachtig zijn om
je zo te laten inpakken.
In
de dierenwereld verloopt het liefdesspel, zoals je dus merkt, niet altijd
even knus. Het overleven van de soort primeert.
Het is pure ‘business’ waarbij alles nogal
machinaal en zonder veel liefde en genegenheid verloopt. Enkel de drang om
de soort te laten voortbestaan duwt de seksen af en toe naar elkaar. Meestal
bepaalt de biologische klok in de vrouwtjes het moment waarop de geduldig
wachtende mannetjes over de brug mogen komen, al
is verkrachting bij sommige soorten ook niet uitgesloten. Ook het
paringsprotocol van de soort dient strikt gevolgd wil de ‘deal’ überhaupt
doorgaan.
Het is hier in
dit korte bestek onbegonnen werk om alle standjes uitvoerig te beschrijven.
Toch wil ik jullie in enkele van de verleiding- en copulatietechnieken
inwijden. Wie er meer wil over weten kan altijd nog op zoektocht in de
bibliotheek, de boekhandel, op het internet en uiteraard in de natuur.
Seks
van op een afstandje
Zoals ik al eerder meldde
bestaat er seks waarbij de partners elkaar niet aanraken. Bij de vissen
vindt men hiervan verscheidene voorbeelden. Veel vissoorten paaien waarbij
ze min of meer in elkaars buurt hun kuit en hom lossen. De bevruchting van
de eitjes geschiedt dan gewoon uitwendig, in het water. Zoals je begrijpt
gaat hierbij veel genetisch materiaal verloren en heel efficiënt is dat dus
niet. De grote hoeveelheden moeten het succes op nakomelingen dan maar
verzekeren.
Sommige vissen weten dit
verlies wel wat te beperken. Zo bouwt het op seks beluste stekelbaarsje met
wat plantenmateriaal een tunneltje op de bodem van de beek. Dan zwemt hij
naar een met kuit gevuld vrouwtje, toont zijn bonte kleurenjas, schiet wild
voor haar heen en weer en lokt haar naar zijn hemelbedje. Daar onder de
hemel van groen legt zij in een minuut tot wel honderd eitjes. Onze vrijer
blijft haar ondertussen aanmoedigen door tegen haar onderbuik te duwen. Van
zodra ze uit het nest vlucht neemt het mannetje haar plaats in en spuit een
homdruppeltje over het legsel. Het vrouwtje dat haar sexappeal
ondertussen alweer verloren heeft, mag in geen geval nog in de buurt
komen. Ons baasje schikt nu vlug het nest en gaat opnieuw op zoek naar het
volgende bollig wijfje om ook haar eitjes in zijn nest te krijgen. De
avances gaan zo door tot de minnaar meent dat hij voldoende eitjes onder
zijn hoede heeft. Je begrijpt dat je voor deze vorm van seks geen penis
nodig hebt. En al heeft een stekelbaarsje wat stekels er ontbreekt dan toch
dat ene speciale ‘stekeltje’ .
Seks in pakjes
Een dier met weer een ander
stekeltje is de schorpioen. Zoals ieder weet is dat gekromde uitsteeksel op
het achterlijf dodelijk gevaarlijk. De ‘verliefde’ partners moeten tijdens
hun liefdesspel dit onding dus te allen tijde zien te mijden. De ontmoeting
lijkt in dit geval ook meer op het gevecht van twee gladiatoren dan op een
minzaam liefdespel. Met opgeheven scharen naderen de beestjes elkaar tot hun
gevaarlijke klauwen in elkaar gaan haken en het koppel zich wat veiliger kan
voelen. In het daaropvolgende ritueel proberen de beide partijen hun giftige
angel ook zo goed mogelijk thuis te houden. Het spel begint met een wilde
rondedans die veel van een krachtmeting weg heeft. Eens de dame begrijpt
waarover het gaat, komt het er bij hem op aan zijn zaad bij haar
geslachtsopening te krijgen. Haar bestijgen kan alvast niet en ook het
onderspit mag hij niet delven. Toch weet hij beter dan wie ook dit
moeilijke probleem op te lossen. Hij verpakt zijn sperma in een kleine
capsule die hij voor haar in de grond wrikt. Dan schuifelt hij met haar
voorzichtig achteruit en manoeuvreert zijn geliefde boven de capsule waarbij
hij hoopt dat ze dit spermapakketje in haar geslachtsopening kan opnemen.
Niet eenvoudig dus en het mislukt dan ook geregeld. Zeker omdat het voor
haar niet te lang mag duren of ze krijgt er genoeg van en geeft hem een
dodelijke prik met haar vervaarlijke stekel. Hij weet dit en hoopt haar
tijdig te kunnen lossen om vlug achterwaarts schuifelend een veiliger oord
op te zoeken.
Sekscelibatair
Borstelwormen die zich
ophouden in de riffen van de stille Zuidzee nemen geen enkel risico en
kiezen voor de status ‘sekscelibatair‘. Je kan het ‘vrijen met volmacht’
noemen. De Palolo’s, zoals die diertjes noemen, sturen van zodra de paartijd
gekomen is, hun sperma of eitjes naar de achterste helft van hun lichaam.
Dit achtereind heeft ook een rudimentaire kop met oogvlek. Als alle
voorbereidingen getroffen zijn, lossen de wormen hun achtereind en laten ze
het verdere paaien aan dit wegwerpachterste over. Gedurende het volgende
jaar groeien de wormen wel weer een stuk bij tot de maan alweer juist staat
en de cyclus van vooraf aan kan beginnen. Op zo’n moment krioelt de zee
alweer van wriemelende en paaiende spaghetti, welke voor de eilandbewoners
een welgekomen delicatesse blijkt te zijn. De eigenlijke celibatair wormen
blijven daarbij veilig geborgen in het harde koraal.
Seksbom
Onze intelligente
pijlstaartinktvis vindt dit emotieloze gedoe van de borstelworm maar niets.
Hij is een ware casanova. Dé ‘Lover’ met grote L dus! Hij maakt
spermapakketjes (spermatoforen) welke een soort veermechanisme en lijm in
zich hebben. Terwijl hij zijn intimiteiten met een wijfje opvoert, spuit
onze opgewonden en rood aanlopende vrijer de spermacapsules in een van zijn
tentakels. Het lijkt wel of hij een tros bananen uit zijn zakken haalt,
schrijft John Sparks die dit bestudeerde. Dan fixeert onze minnaar zich op
het midden van haar tentakels en werpt de pakjes in het kuiltje waar ze als
voetzoekers openspatten. Daar, in haar ‘boezem’ vastgekleefd, blijven ze tot
zij ze zal bevruchten en in de zee zal wegblazen.
Indien het vrijende koppel
echter een speciaal standje verkiest, dan gaat het verhitte mannetje naast
het vrouwtje zwemmen, neemt haar hoofd in zijn armen en schuift zijn
tentakel met de geladen spermatoforen in haar ‘neusgat’. Een kokerholte die
naar haar geslachtsorganen leidt en waarin ook haar kieuwen liggen. Hij
wacht nog enige seconden tot de pakketjes als kleine granaten openspringen
en tegen de wand blijven kleven. De daad is hiermee voltrokken en onze
casanova zwemt alweer naar een volgend wijfje, want met zo’n vierhonderd
pakketjes op zak… .
Seks met hulpstuk.
Zoals je al begreep zijn niet
alle voortplantingsmethoden even efficiënt en de natuur heeft dan ook naar
andere oplossingen gezocht om de kans op bevruchting te verhogen. De
vrouwelijke partij kreeg hierbij een belangrijker rol in het
overlevingsproces van de soort toegewezen. (Het moest er eens van komen !).
De bevruchting kon beter in een veilige buik gebeuren en als het even kon,
mochten de nakomelingen daar ook nog een tijdje verblijven. De natuur diende
een keuze te maken en heeft wijselijk voor het vrouwelijke lichaam gekozen.
Het mannetje diende hiertoe wel in die veilige buik van het vrouwtje te
geraken om daar zijn deel van het genetisch materiaal uit te storten. Gezien
nu de wijfjes van de verschillende soorten verschillend gebouwd waren, kreeg
ook de mannelijke helft van de soort een passend hulpstuk op zak. Het
moest immers klikken en zoiets was en is in sommige gevallen een hele
opgave.
Sekspikant
Soms zit er heel wat in de
weg om comfortabel en veilig te kunnen vrijen . Zo moet de kreeft een gaatje
in het harnas van zijn partner zien te vinden. Dat lukt hem niet zolang haar
harnas hard is. Hij wacht dan ook tot zij vervelt en een paar dagen een
zacht pantser draagt. En dan is er het ondertussen opgeloste raadsel van de
egels en de stekelvarkens die tijdens hun intimiteiten verwond kunnen
geraken. Maar het blijkt achteraf gezien toch nog mee te vallen want de
dieren vrijen veilig. Zij legt immers haar stekeltjes plat en het is ook
logisch dat het kereltje met een wat langere werd uitgerust om haar
tegemoet te komen en haar voldoening te schenken.
Seksfrigide
Niet alleen de fysieke
hindernis dient genomen, soms is er ook een psychische barrière. Zo wil het
vrouwtje van de draakvinzalm baas in eigen buik blijven. Wat het mannetje
ook doet om haar te verleiden, niets kan die frigide oude vrijster opwinden.
Ze duldt hem zelfs niet in haar buurt. Hij zit dus met een ernstig probleem
om voor het voortbestaan van zijn soort te zorgen. Uiteindelijk zit er niets
anders op dan haar te misleiden. De verleider kreeg in de loop van de
evolutie aan beide kieuwdeksels een lange draad die aan het uiteinde een
verdikking vertoont. Met dit pakje nep gaat hij boven het vrouwtje hangen
waarbij het vlezige bolletje voor haar ogen bungelt. Zij meent in dit
bolletje een watervlo te herkennen en in haar onnozelheid slikt ze het in en
blijft erop sabbelen. Voor hem tijd genoeg om zijn seksuele honger te
stillen.
Seksorgie
Ook de zeepokken hebben het
niet gemakkelijk. Zij zitten immers vast, geankerd aan de bodem en kunnen
niet bij elkaar komen. Al zijn ze hermafrodiet en kunnen ze het met
zichzelf doen, toch verkiezen ze gezelschap. De natuur heeft daar begrip
voor en zocht een bevredigende oplossing om met hun afgelegen buren de
liefde te bedrijven. De beestjes kregen van moeder aarde immers een enorme
penis met een lengte van bijna twintig centimeter (bijna dertig keer hun
lichaamslengte). Eens uitgerold begint deze knaap als het ware zelfstandig
de omgeving af te tasten tot hij een andere zeepok vindt en de eitjes
bevrucht. De ontvangende zeepok kan dan op zijn/haar beurt bij de bevruchter
toenadering zoeken. Met veel zeepokken in de buurt belanden we al snel
midden een orgie. En dan nog te bedenken dat elk zeepok twee penissen heeft
!
Biseks
Ook de slakken
eten van twee walletjes. Als hermafrodiet genieten ze bovendien dubbel van
elke copulatie. Prachtig om volgen is het liefdesspel van de tijgerslak.
Wellicht heb je deze gestreepte naaktslak al in de tuin ontmoet. Als deze
dieren er zin in krijgen volgen ze elkaar in een boom. Kiezen een tak en
laten zich samen aan een slijmdraad afzakken. Aldaar zwevend tussen hemel
en aarde wikkelen ze hun lichamen rond elkaar in een slijmerig kleed. Dan in
volle opwinding wikkelen ze ook hun geslachtsorganen om elkaar en al
draaiend in deze liefdevolle en uren durende omstrengeling wisselen ze hun
spermatozoïden uit, om tenslotte uitgeput na zoveel passie in het zachte
bladerenbed op de grond te vallen.
Met deze gevoelige passage wil
ik dit artikel afsluiten. Het is welletjes geweest. Ook al is het maar een
kleine greep uit de vele variaties op een thema. De rest laat ik aan jullie
over.
Referenties
:
- The Sexual Connection. by John Sparks
Dierlijke passie en paring . ISBN 90 274 8229 2
- Het liefdesleven van enge beestjes.
Zoo Emmen ISBN 90 71533 16 6
- Life
in the Undergrowth met David Attenborough.
(BBC serie)
Invertebratenwerkgroep
Lampyris heeft voor 14 februari 2008 een avondje rond het ongewerveld
liefdesleven gepland. Iedereen
is welkom. Details kan je vinden
in de kalender 2008

Lipitorae Heliosis
Dagboek van
een groenling. Lipitorae Heliosis
Hugo Verschelden
Een zomerdag. De zon voelt
zich lekker en hangt uitdagend te blinken in de azuren hemel. Ik zit tussen
de struiken langs de Scheldeboord om de hitte, die zwaar op het land drukt,
te ontvluchten. Alles doezelt in de trillende lucht, enkel een bazige
meerkoet op de stroom ‘koet’ heftig om haar buur, een zachtaardig waterhoen,
te verjagen. Wat verderop zwemmen enkele kuifeenden die gezellig samen de
koelte onder water vinden. Tussen het riet, aan de oever van de slaperige
stroom, zweeft een blauwe oeverlibel en keert zich in een oogwenk, om op het
jaagpad neer te strijken, en daar met gespreide vleugels van haar zonnebad
te genieten. Zo’n dier is toch wel ingenieus in elkaar geknutseld. ‘ Wat
een overweldigend gevoel moet dat geven als je zo kan vliegen’. mijmer ik.
Maar met een lijf zoals de natuur dat voor mij heeft voorzien, lukt dat
natuurlijk nooit.
Indien ik mezelf in elkaar kon
knutselen dan zou ik me alvast om te beginnen een, of twee paar vleugels
aanmeten. Misschien toch best twee paar, dan word ik zo wendbaar als die
libel. Ja, zo’n stuntvlieger wil ik wel zijn. Als ik mijn plan uitvoer, zal
ik mezelf ook maar best in prachtige kleuren beschilderen, want mensen
vinden zo’n kleurrijk wezen aaibaar en ontzien je dan als insect misschien
toch wel een beetje. Vliegen en muggen hebben op dat vlak meer tegenslag. Al
zijn ook die wezentjes even kunstig in elkaar gezet.
Voor de entomologen moet ik
wel blijven uitkijken, want die willen je vangen en niets liever dan je
determineren. Zij voelen immers een onweerstaanbare drang om alle beestjes
een keurig etiketje op te plakken. Je krijgt dan als specimen wel een
deftige Latijnse naam in twee delen, maar zelf ben je daar niet veel mee
als je de klassieke talen niet machtig bent. Gelukkig zijn deze onderzoekers
vandaag ook iets milieubewuster geworden en prikken ze je niet zo gauw meer
op een naald om je in een muffe kast bij honderden van je soortgenoten te
laten uitdrogen.
Maar desalniettemin blijft het
oppassen voor de mens. Zelfs de beeldige vlinders zijn niet veilig voor
sommige hebberige jager-verzamelaars die hen in een tipzakje stoppen en hen
als postzegels verhandelen. Als je weet hoeveel prachtexemplaren er zo in de
musea zijn beland en nog belanden, word je triest. Te mooi mag ik me dus nu
ook weer niet maken. Als vlinder zit je bovendien opgescheept met al die
ontwikkelingsstadia en de lastige overgangen
die erbij horen. De weg van ei, naar rups, naar pop, om dan uiteindelijk
pas een vlinder te worden is toch wel een hele lange en lastige omweg. Ook
het feit dat je als ongewervelde uit je vel moet kruipen om te groeien, vind
ik persoonlijk nogal luguber. Ik kies toch best voor een lichtgewicht
ruggengraat zodat mijn huid mijn lichaam niet moet dragen, en rustig kan
meegroeien. Neen, ik moet echt al die rompslomp van de ongewervelden
vermijden.
Nu denkt iedere ornitholoog
wellicht, waarom maakt hij het zichzelf zo moeilijk en wordt hij niet gewoon
een vogel. Bovendien is de vogel ook een dier dat wat hoger op de
natuurlijke ladder neerstrijkt en zo op een langer leven kan neerkijken.
‘Waarom wordt je bijvoorbeeld geen meeuw .’ hoor ik de vogelliefhebber
zeggen. ‘Die kan bovendien ook nog zwemmen en wordt niet zoals een eend
bejaagd, omdat meeuwenvlees en spieren te taai voor de menselijke
consumptie uitvallen.’
Op het eerste gezicht volg ik
die redenering wel, maar ik moet dan wel iets kunnen vastgrijpen, want met
je bek alles opnemen, vind ik echt wel onhygiënisch. Zo’n attribuut is ook
niet praktisch als je nog wat anders wil dan eten. En aan een of andere
pikorde heb ikzelf nooit willen deelnemen. Anderzijds ben je met dat stel
peddels aan je poten ook niet de handigste thuis. Neen ik wil minsten twee
extra ledematen met grijpers. Een soort hand lijkt me toch onmisbaar. Dat
grijporgaan op de vleugeltippen aanbrengen, zou ook nog kunnen, maar dan
belemmeren die pluimen het zicht op hetgeen je doet. Dus ik trek nu mijn
poten, twee paar vleugels en een stel armen met handen , lange vingers en
duimen aan.
De pluimen gooi ik aan de
kant. Ze zijn me te lastig. Zeker nu ik met de staart in de wind sta, vind
ik het gênant. En het feit dat meeuwen
telkens hun kop naar de wind moeten keren om wat comfortabel te rusten,
lijkt me trouwens nogal riskant. Je weet immers maar nooit wie je
benedenwinds en langs achter in stilte nadert en grijpt. Dus geen pluimen,
maar iets rubberachtigs wordt het, zoals het vel van een zeehond met
vleugels van het fijnste leder, wat de vleermuis ook in huis heeft.
Ik weet, beste lezer, dat ik
stilaan op een nieuwe soort ‘Batman’
in het leder en met zwemvliezen begin te
lijken, maar wil me daar toch absoluut niet mee vereenzelvigen. En
bovendien blijf ik volgens mijn eerste gedacht toch liever maar zo groot als
een uit de kluiten gewassen insect. Dan wordt de wereld nog eens zo ruim en
interessant. Met die beperkte afmetingen kan ik dan ten volle tussen mijn
pas ontdekte lieverds, de insecten en andere kleine wezens, gaan leven.
Ik pomp nu mijn
vleugels op en droog ze in de zon. Mijn vlucht kan beginnen. Ver weg over de
heuvels vind ik wel een koel en veilig plekje waar de mens me niet vlug kan
vinden en de natuur me hopelijk aanvaardt. Want een uiterst zeldzaam
specimen ben ik ondertussen op deze hete zomerdag wel geworden. Een gretig
gewild studieobject voor de natuurvorsers en de wetenschap. Een nog te
ontdekken en uiterst zeldzame
Lipitorae Heliosis
(gewervelde) die met uitsterven wordt bedreigd. Althans voorlopig, want wie
weet welke vriendinnen ik nog allemaal in die boeiende en nog onbekende
dierenwereld
ontmoet.
Vlinderen in de
nacht.Dagboek van een groenling.
Vlinderen
in de nacht.
Hugo
Verschelden
Zoals je tegenwoordig her en
der kan lezen, komen de nachtvlinders meer en meer onder de aandacht van de
entomologen, en vermits ik me nu ook als beginnend ‘onderzoeker’ onder hen
beweeg, word ik mee in deze nieuwe stroming met zijn verse uitdagingen
opgenomen. Mijn nieuwsgierigheid naar alles wat er vliegt en kruipt is
immers nog steeds niet geblust. Na enkele keren aan een nachtexcursie te
hebben deelgenomen, wat ik iedereen aanraad, werd ik dus ook door dit
vlindervirus gebeten.
Toen ik zag dat heel wat
soorten nachtvlinders de mooie Vlaamse Ardennen als habitat verkozen, vroeg
ik me af welke diertjes er nog in mijn eigen tuin, midden in de polders van
het Waasland, wilden wonen, in een streek die door de grootschalige landbouw
met haar monocultuur wordt overwoekerd en waar monstermachines de resterende
stukjes natuur in een hoekje drummen. Een kaal land waar de onderdrukte
bomen en struiken in wat kleine bosjes moeten samen heulen. Om nog maar te
zwijgen van de oprukkende havenindustrie die deze verschoppelingen en mijn
dorp in een wurggreep neemt. Maar ik bleef positief en hoopte nog wat motten
in mijn tuin te kunnen vinden..
Met de opgedane basiskennis en
het nieuwe nachtvlinderboek met zijn duidelijke illustraties moet de
determinatie van deze te weinig gekende maar prachtige nachtdieren, wel
lukken, dacht ik. Al blijft het determineren toch nog een kunst waarbij goed
observeren, geduldig zoeken en foutloos lezen essentieel zijn. Iets waar ik
niet steeds in slaag. Maar kom geen gezeur, aan de slag, we zien wel.
Om te beginnen diende ik voor een nachtvlinderval te zorgen. Vermits ik
echter nooit een handige Jacob ben geweest, moest ik het eenvoudig houden.
Nu zit het toeval soms geheel onverwacht naast me en vindt mijn zwager in de
plaatselijke kringloopwinkel toch wel een kwikdamplamp voor slechts twee
euro en ook dat lege appelsienkistje lag thuis zowaar klaar om als
lampendrager te dienen. Met nog een wit laken uit de kast zag ik de
vlindertjes al naar me toe komen. Neem dan nog wat eierendoosjes,
doorzichtige potjes, een vergrootglas, papier en potlood en je kan zo aan de
vlinderslag.
De plek op het gras naast mijn
tuinhuis, omgeven met bomen en struiken, leek me wel geschikt. Het was er
vrij warm en de wind kwam er niet tot beneden doch ritselde op die rustige
avond wat speels door de boomkruinen. In deze luwte moest het lukken. Indien
ik vlinder was, dan zou ik beslist hier mijn gading vinden. Met deze
positieve gedachte spreidde ik het witte laken op het gras en midden daarop
parkeerde ik mijn appelsienkistje met lamp. Het tuinhuis waar ik voldoende
neonlicht had om de beestjes in detail te kunnen onderzoeken, werd mijn
veldlaboratorium. Bij het invallen van de duisternis was ik dus klaar voor
mijn exploratie.
Het donkerde vrij vlug, maar
er viel geen vlinder bij het laken te bespeuren. Na een tijdje begon ik aan
mijn lamp te twijfelen, al gaf ze ruimschoots licht en voldeed ze aan het
boekje. In en bij het tuinhuis kwam daarentegen wel beweging en langs het
vensterglas fladderden wat motjes. Kleine beestjes die blijkbaar neonlicht
boven kwikdamplicht verkozen. ‘Jullie moeten hier niet komen! Vlieg naar de
lamp op het gazon!‘ mompelde ik. Hun komst echter was toch al een begin en
ik bestudeerde de beschikbare wezentjes, waarvan er ondertussen meerdere op
de ruit neerstreken, dan ook aandachtig. Ik zocht hun beeld en gelijkenis in
mijn vlinderboek, maar vond niets. De motjes met verlengde snoet leken op
snuituilen maar waren daarvoor te slank en ook de kleuren klopten niet.
Gespannen bladerde ik van voor naar achter en terug door de gids maar niets
voldeed.
Enigszins geërgerd om mijn
onkunde stapte ik naar buiten om wat anders te determineren maar het laken
bleef vlinderloos. Het werd wel massaal ingenomen door klein vliegend grut
dat me gestolen kon worden. Terug binnen opende ik opnieuw mijn boek en
precies op de pagina, daar net voor mijn neus, zag ik wat ik zocht. Ik had
het kunnen weten! Daar tussen de weinige microvlinders die in het boek zijn
opgenomen, want daarvoor is de gids niet bedoeld, stond mijn allereerste
vondst van de avond, een ‘Koloniemot’ (Aphomia sociella). Dat
microbeestje, waarvan er ondertussen een hele kolonie in het tuinhuis zaten,
moet me geluk hebben gebracht want er kwamen nu toch motten rond de
kwikdamplamp cirkelen en op het laken neerstrijken. En de vlinders van de
nacht bleven nu maar komen.
Nerveus drentelde ik met mijn
recipiënten rond het laken. Gejaagd maar toch voorzichtig, trachtte ik mijn
fladderende vangst in de potjes te krijgen. Al vlug waren al mijn potjes
bezet en er kwamen nog steeds maar nieuwe soorten aangevlogen. Ik dankte de
goden maar zat wel verlegen met de overvloed. Gehaast liep ik naar binnen om
met de determinatie te beginnen. Een paar soorten kende ik nog van de
voorbije excursies, dat ging dus vlot, maar de meeste beestjes kon ik niet
onmiddellijk op naam brengen. Ondertussen zat mijn laken vol. Het krioelde
en wriemelde daar dat het een lieve lust was. Het leek wel een discotent
voor motten en ander gevleugelde. Ik mocht geen tijd verliezen. Al bleven de
dansers wellicht nog een tijdje op de
dansvloer rondhangen, ik wou er niet een laten vertrekken en allen netjes
registreren. Het genot van het ontdekken en de drang tot klasseren van de
natuurvorser zit, zoals je merkt beste lezer, ondertussen al diep in mijn
vezels.
Vermits ik geen knappe
assistente naast me had, zat er niets anders op dan mijn fototoestel erbij
te halen. De potjes dienden hiertoe wel geopend om een deftige foto te nemen
en met maar een paar handen en het weinige licht in het tuinhuis werd dat
een hele opdracht. Sommige vlinders bleven rustig, maar andere flapperden
gejaagd met hun vleugels, waardoor ze met moeite met de lens te vatten
waren. Nam je echter de tijd en liet je deze schepselen een tijdje van hun
schrik bekomen, dan lukte het behoorlijk. Eens ze stil zaten, bleven
ze zitten. Wellicht rekenden de diertjes dan maar op hun schutskleuren en
hun onbeweeglijkheid om te overleven. Al gauw kreeg ik enige routine in mijn
handelingen en kon ik de opnameknop van mijn toestel herhaaldelijk
indrukken. Zeker met een digitaaltje komt het niet op een foto en ik
fotografeerde mijn welgekomen gasten dan ook uit verschillende hoeken om
achteraf zoveel mogelijk determinatiemateriaal bij de hand te hebben. Want
van zodra de diertjes terug werden vrijgelaten, moest ik het daarmee
stellen.
Het gebrek aan recipiënten
bleef echter een probleem. Ik diende mijn vangst telkens weer op een plaats
vrij te laten waar ze niet door het lamplicht werden verleid. Dat verhoogde
de druk op mijn activiteiten, want intussen ging het feest maar door. Ik
holde over het gras heen en weer van lamp naar tuinhuis, naar losplaats om
opnieuw bij de lamp uit te komen. Hierbij diende ik er zorgvuldig op te
letten om in het gras geen vlinders dood te trappen die daar ook naast het
laken tussen de sprieten de veilige donkerte opzochten. De eierendoosjes die
ik voor hen losjes op het laken had gezet, deden trouwens wel hun werk en
menig vlindertje bleef daar rustig onder wachten tot het voor een pasfoto
werd meegenomen. Tot drie uur in de nacht drentelde ik als in een droom rond
de lamp en tussen mijn nachtvlinders. Ik betrad alweer een ander universum
en vergat nogmaals even de mensheid.
Niet alle vlinders kon ik
determineren, maar mijn foto’s tonen 38 verschillende soorten. Wat volgens
mij, voor onze streek toch wel een onverwacht klein succes mag worden
genoemd. Op een volgende determinatieavond van de invertebratenwerkgroep
Lampyris zullen de naamlozen wellicht alsnog een naam krijgen, want zo
wensen entomologen en andere natuurvorsers dat.
Beestjes! Overal beestjes!
Dagboek van een groenling.
Beestjes!
Overal beestjes!
Hugo Verschelden / IWG Lampyris
Het is met enige schaamte op
de wangen dat ik dit artikel schrijf. Maar ik moet jullie iets bekennen. Ik
ben wel lid van de invertebratenwerkgroep ‘Lampyris’, maar ik heb schrik
van de beestjes met hun akelig uiterlijk welke ze bestuderen. Als ik
bijvoorbeeld denk aan de spinnen, die monstertjes op acht harige poten, met
lange giftanden en hun zes of acht ogen, dan lopen de rillingen me over de
rug. Arachnofobie noemen de geleerden dat. Alleen het woord al zou je de
stuipen op het lijf jagen. En dan zijn er nog miljoenen andere lelijkerds
met venijnige uitsteeksels, tanden, doornen, pieken, kammen, dolken,
scharen, messen en vorken die rond je kruipen of je vanuit duistere hoekjes
beloeren. Deze kleine monstertjes kunnen als geen andere, rennen, springen,
plots opduiken en schichtig wegschieten. Overal zitten ze, tot in de nauwste
spleetjes. Beestjes, overal beestjes. Je hoeft er zelfs niet dronken voor te
zijn.
Wij mensen zijn de uitverkoren
prooi voor deze onverlaten. Muggen, teken, dazen, luizen, vlooien
,steekvliegen, knitvliegen en vele andere hebben het op ons gemunt. Dat
luizige ongedierte zuigt, bijt, sabbelt, knabbelt, steekt,
prikt,spuugt,boort, spuit gif. Ze bezorgen ons jeuk, brand, kriebels,
allergie, fobieën, koorts. Om nog maar te zwijgen van de erge ziekten die ze
veroorzaken waarbij sommige onverlaten zelfs hun nakomelingen in je lijf
pompen. Wormen die je van binnenuit opvreten, met veel pijn en ellende tot
een bevrijdend slot, de dood, je verlossing brengt. ‘Ze zouden al die
vreselijk monsters moeten vernietigen.’hoor ik je nu ook denken. ‘Waarom zou
een gezonde man zich nu met dergelijk gespuis gaan bezig houden? Temeer
daar hij er schrik voor heeft !’
Misschien denk je na
bovenstaande wel dat ik ooit eens ernstig ben gebeten en naderhand gek ben
geworden, om me bij een vereniging die zich met dergelijke gedrochten bezig
houdt, aan te sluiten. Een obscuur clubje waar de leden deze vreselijke
schepsels ter harte nemen en als wilde orchideeën koesteren. Van die
grimmige figuren welke spinnen, kakkerlakken, pissebedden en ander ‘gekruip’
als huisgenoot nemen. Mannen en vrouwen die in hun huis zonder verpinken al
dat gespuis over zich laten kruipen en het over de rug aaien. Die een snik
en traan laten als hun lieveling per ongeluk onder hun voet wordt
platgedrukt. Je moet met dus wel voor gek verklaren om bij een dergelijk
clubje aan te sluiten. Misschien noem je me wel een masochist, een vent die
zijn vrees en pijn koestert. Iemand die zich gewild in zijn eigen ongeluk
stort en als hij niet bij een psychiater wordt gebracht, voorgoed voor de
gezonde maatschappij verloren is.
Ik begrijp, beste lezer, dat
mijn gedrag je op zijn minst ‘eigenaardig’ overkomt. Maar we mogen het nu
ook weer niet gaan overdrijven. Ik heb enerzijds wel schrik van die
diertjes, maar anderzijds prikkelen ze mijn nieuwsgierigheid. Ik wil het
onbekende immers onderzoeken en leren kennen. Een natuurlijke drang bij de
mens schijnt het. Van zodra iets onbekends bekend wordt, mindert ook de
vrees. (‘Hondje bijt niet, ik zeg dat het niet bijt.’zei vader.) Dus met
die gedachte nam ik een tijd geleden de beslissing, en zoals je ondertussen
uit mijn vorige schrijfsels wel weet, ben ik dan toch in de wereld van de
invertebraten gestapt. Al wil ik nu toegeven dat die stap aanvankelijk wel
onzeker was.
De paar jaren die ondertussen
zijn verstreken sinds ik me bij de invertebratenwerkgroep aansloot, hebben
mijn houding wel gewijzigd. Ik heb de vrees voor de insecten nu enigszins
onder controle gekregen. Het is nu een gezonde vrees geworden. Nu ga ik nog
niet direct de spinnen met de vingers van de muur plukken, maar als iemand
ze me op de hand zet, het mag zelfs een harige vogelspin zijn, dan verlies
ik mijn adem niet meer en blijven mijn knieën rustig. ‘Als anderen, zelfs de
kinderen de beestjes onbevreesd kunnen benaderen dan moet ik dat ook
kunnen.’ dacht ik en het lukt me nu warempel ook nog.
Ondertussen leerde ik ook van
de kenners in onze werkgroep dat vele invertebraten ons niet kunnen bijten
of steken. Dit omdat ze de juiste attributen missen of omdat ons vel (lees
huid) gewoon toch te dik is. Een hele geruststelling is dat. Ook het feit
dat de meeste insecten ons niet als prooi beschouwen is bemoedigend vind
ik. Vele beestjes weten zelfs niet dat we er zijn. We betekenen dan ook
niets voor hen en behoren tot het landschap waarin ze zich bewegen. Je moet
hen al pijn doen voor ze reageren en een hap uit je grote lijf nemen. Voelen
ze dan toch onze aanwezigheid dan vluchten ze bevreesd en spoorslags van ons
weg. Het zijn zij immers die hun hachje kunnen verliezen en roemloos onder
de klappen of in de stofzuiger kunnen sterven.
‘Maar ze zijn zo lelijk en
vies, die beestjes’ zeg je dan. Ook dat beeld verdwijnt als je een tijdje
tussen hen leeft. Ook hun afzichtelijk lijf went immers. Zoals je dat kon
ervaren tijdens de film ET, dat lelijke monstertje uit de ruimte dat ons aan
het eind van de film met een beminnelijke gedachte achterliet. Al bij al
zijn insecten boeiend om naar te kijken. Ze zitten werkelijk ingenieus in
elkaar. Elk onderdeeltje heeft zich aan de omgeving en volgens noodzaak aan
het leven aangepast. Perfecte machientjes zijn het geworden.
Bovendien zijn ze zo nuttig dat de mens hier op aarde niet zou bestaan
indien zij er niet waren. We kunnen echt niet zonder hen. Ze behoren tot de
levensketen, ze bevruchten, ze ruimen en zijn het voedsel voor velen.
Binnenkort staan ze ook op ons menu en dat van onze nakomelingen. Maar dat
wordt een ander verhaal.
Mijn vrees voor de ‘vieze
beestjes’ is dus onder controle en ook de kenners en de andere luitjes van
de werkgroep hebben in mijn ogen menselijke trekken gekregen. Al blijven zij
toch ook bijzondere exemplaren die ik graag in mijn vriendencollectie heb
opgenomen. Je hoeft dus helemaal niet bang te zijn om erbij te komen. We
zullen echt niet bijten, prikken, steken … .